Verzet

Verzet tegen de Duitse bezetter bracht grote risico's met zich mee. Verraad was altijd aanwezig. Na de oorlog bestond het beeld van Limburg dat daar geen of nauwelijks verzet tegen de Duitse bezetter was geweest. Toch bleek dat onjuist: in Limburg, en met name Zuid-Limburg was verzet gepleegd. Geestelijken van de katholieke kerk, bijvoorbeeld pastoors en kapelaans, hadden een grote rol gespeeld bij verzetsdaden. De relatief gunstige ligging van Limburg zorgde ervoor dat Joden konden onderduiken of konden vluchten. Boerderijen waren bijvoorbeeld locaties waar mensen konden onderduiken.

Verzet tegen de Duitse bezetter kon verschillende vormen aannemen. Zo gooiden in Heerlen leerlingen van de MTS oranje sinaasappels omhoog waarbij zij schreeuwden: 'Oranje Boven'. Politie en Duitse soldaten (waaronder leden van de N.S.D.A.P.) werden ingezet. Na anderhalf uur was de rust wedergekeerd. Duitse autoriteiten straften de school en haar leerlingen. De MTS werd voor twee maanden gesloten. De Commissaris van Politie, Offermans, werd gearresteerd. Een boete werd aan de Heerlense bevolking opgelegd. Een bedrag van 100.000 gulden moest worden betaald, verdeeld over 47 personen. Twee personen hoefden niet te betalen. De boete werd verlaagd naar 93500 gulden. Uiteindelijk werd 'slechts' 69000 gulden betaald. Onder de studenten van de 'oranje opstand' was Jo Funken. Later is hij omgekomen in een strafkamp in Siberië.

De communisten waren de eerste groep in Heerlen die in verzet kwamen. In nazi-Duitsland werden zij al vanaf 1933 vervolgd: toen Hitler aan de macht kwam. Hulp aan onderduikers was in Heerlen zo groot dat de Duitsers Heerlen als 'Untertauchnest' omschreven. De communistische verzetslieden hielden zich bezig met de hulpverlening aan personen die Duitsland hadden moeten ontvluchten, zoals antifascisten en sociaal-democraten, maar ook geestelijken en Joden. Die Heerlense communisten hadden vaak nauwe banden met Amsterdamse communisten. Communisten waren aartsvijanden van het nationaalsocialisme: gelijk te stellen aan de 'Joodse volksbedervers'. Net als Joden kwamen communisten vaak terecht in concentratiekampen. De burgemeester van Heerlen uitte in het begin van de oorlog steun aan het koningshuis en Wilhelmina waarbij hij een waarschuwing kreeg van Duitse autoriteiten. Het plegen van meerdere verzetsdaden zorgde ervoor dat men door de Duitse bezetter in de gaten werd gehouden. Sommige mensen te Heerlen waren bereid om Joden in hun huis te laten onderduiken. Geregeld hadden die mensen grote gezinnen met veel kinderen. Het risico van verraad was altijd aanwezig: zelfs de buren konden je verraden. Indien ontdekt werd dat je Joden in huis had werden die afgevoerd naar kampen samen met jou en/of familieleden. Duidelijk is dat mensen die Joden hebben geholpen door hen te laten onderduiken, helden genoemd mogen worden. Het ging om daden waarbij eigen levens op het spel stonden.

In Heerlen waren verschillende personen die actief verzet boden tegen Duitse autoriteiten. Marcel van Grunsven, burgemeester van Heerlen, Karel van Berckel, chirurg in het St.-Jozephziekenhuis te Heerlen, kapelaan Lambert Petit van Welten en kapelaan Jan Willem Berix zijn slechts enkele personen die hun leven op het spel hebben gezet. Van Berckel, Petit en Berix zijn in de oorlog opgepakt en afgevoerd naar kampen. Van Berckel omdat hij contacten zou hebben gehad met het verzet en Petit omdat hij een bordje 'Voor Joden Verboden' had verwijderd. Waarschijnlijk is Petit door een NSB'er of iemand anders verraden (wellicht met Duitse sympathieën). Berix stierf in een concentratiekamp. Van Grunsven irriteerde Duitse autoriteiten geregeld door afspraken af te zeggen, benoemingen te dwarsbomen of tijd te rekken. Hij heeft geluk gehad dat hij niet door Duitse instanties (SD, Gestapo) is opgepakt. Echter, ook Van Grunsven is ondergedoken toen hij hoorde dat de SD een aanslag op hem beraamde.

Lambert Petit. Opgepakt omdat hij een bordje 'Verboden voor Joden' te Welten had verwijderd. Dit bord was aangebracht op het patronaatsgebouw in Welten. Bron: Land van Herle, nummer 4.

Na de oorlog werden vooral communistische verzetslieden in de gaten gehouden. Het 'rode gevaar' was nog altijd aanwezig in de ogen van de politiek-economische elite. De Koude Oorlog versterkte dat gevoel. Berlijn was opgedeeld in bezettingszones en Oost-Europa werd door Sovjettroepen bezet. De Russische Revolutie van 1917 had oude machtsverhoudingen vernietigd. Iets wat men (politiek-economische elite) in Nederland uiteraard wilde voorkomen. Zo lijkt het alsof sommige mensen communisten erger vonden dan nationaalsocialisten of NSB'ers. Vooral de katholieke kerk wantrouwde communisten. Communisten waren immers 'ongelovigen'. Macht speelde een grote rol: de angst om (eigen) controle, aanzien en invloed te verliezen.

 

 

 

 

 

Nadere bronnen en literatuur:

Cammaert, F. (1994). Het verborgen front. Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog. Eisma.  

Hoogeveen, J. (1984). Eveneens voor de goede orde: Heerlen in oorlogstijd, 1940-1944. Heerlen: Winants.

Kaart van verzet

Krutzen, M. (2014). Kampnummer 266: Lambert Petit (1907-1955)

Pater-Lazarist W.M. van der Geest, verzetsleider in Brunssum e.o.

Onze archieven en collecties