Savelberg, Peter Joseph (kapelaan)
Monseigneur; 10 februari 1827 - 11 februari 1907
Peter Joseph Savelberg werd op 10 februari 1827 in Heerlen geboren als zoon van Alexander Savelberg en Anna Elisabeth Mertens. Vader Savelberg was eigenaar van een stadsherberg, waar de postiljon van paard verwisselde en de reizigers konden overnachten. Na de dood van zijn vrouw gaf hij de drukke herberg op en werd wijnhandelaar. Hij behoorde tot de notabelen van Heerlen. Hij was lid van de gemeenteraad en van het kerkbestuur. Van 1830 - 1839 was hij ook lid van de jury bij de rechtbank in Tongeren.
We weten weinig over de kinderjaren van Peter Joseph. Er wordt verteld dat hij als klein kind meetrok met de grote bronk, de jaarlijkse processie met het Heilig Sacrament. Hij speelde eerst herder en later koorknaap. In beide rollen viel hij op door zijn kinderlijke ernst en eerbied. Het is bekend dat hij als kind de mensen voor zich innam.  Aanvankelijk wist hij niet wat hij wilde worden. Zijn vader stuurde hem daarom op vijftienjarige leeftijd naar Rolduc om lessen aan de handelsschool te volgen. Hij ging vervolgens naar Brussel waar hij werkte op het kantoor van zijn halfbroer Balthasar, die directeur van een glasfabriek was. De stille dorpsjongen Joseph kon echter niet wennen aan het werkmilieu en de gesprekken in de fabriek. Hij keerde spoedig terug naar het landelijke dorp Heerlen. Zijn toekomst stond nu vast: hij wilde priester worden.Voor zijn studies ging hij opnieuw naar Rolduc. Zijn godsdienstige aanleg kwam duidelijk tot uiting. Iedere avond na het eten bracht hij veel tijd in de kerk door om te bidden. Toen reeds bleek zijn bijzondere godsvrucht voor Christus in de Heilige Eucharistie. Iedere zondag ging hij ter communie en de biecht op zaterdagavond als voorbereiding op de zondag werd nooit overgeslagen. Savelberg was een goed student met niet alleen aanleg voor talen, maar ook voor wiskunde en filosofie. Tevens had hij gevoel voor muziek. In de harmonie van Rolduc speelde hij klarinet. In 1851 vertrok hij naar Roermond om zijn studie theologie voort te zetten aan het grootseminarie. Anderhalf jaar later, nog voordat hij zijn priesterstudie had voltooid, werd hij al benoemd tot leraar aan het bisschoppelijk college voor de vakken geschiedenis, wiskunde en Duits. Hij eiste veel van zijn leerlingen, maar nog meer van zichzelf. Hij ging hartelijk met de leerlingen om, maar eiste plichtsvervulling. Vanwege de nauwkeurigheid waarmee zijn ogen alles opnamen, kreeg hij de bijnaam ‘de valk’.
Op 3 september 1854 werd hij door Mgr. Paredis, bisschop van Roermond, tot priester gewijd. Anderhalf jaar later, in april 1856, werd hij rector van het zustersklooster met meisjespensionaat Nonnenwerth op het Liebfraueneiland in de Rijn bij Bonn. De in zichzelf gekeerde asceet Savelberg, met zijn voorliefde voor stilte en gebed, bleek toch niet zo op zijn plaats te zijn in een functie als leraar. In Nonnenwerth kwam hij in nauw contact met het vrouwelijke kloosterleven en tevens kon hij in de beslotenheid van het klooster zijn beschouwend leven verdiepen door veel gebed. De kroniekschrijfster van het klooster vermeldt dat hij onder hen leefde als een bescheiden en eenvoudig man, die zich nooit opdrong of op zijn recht stond, maar zijn plicht vervulde. Die zonder het te zoeken grote invloed uitoefende en zonder het te vermoeden voor allen een voorbeeld was. De tijd in Nonnenwerth zou een blijvende invloed hebben op het verdere leven van Savelberg. Hij had een beter inzicht gekregen in de eisen, gewoonten en moeilijkheden van het kloosterleven. Tevens had hij kennis gemaakt met de geest van Franciscus, die hij later aan de zusters en broeders van zijn congregatie zou overdragen.
Op 6 december 1863 werd hij benoemd tot kapelaan in Schaesberg. Vier maanden na zijn aankomst in deze plaats stierf de pastoor. Kapelaan Savelberg moest een half jaar alleen de zielzorg verrichten. Hij trof in Schaesberg sociale wantoestanden aan. Vele gezinnen leidden een armoedig bestaan, niet door gebrek aan voedsel, maar door een ondoelmatige huishouding van de moeders die niet op hun taak waren voorbereid. Bejaarden werden geestelijk en lichamelijk aan hun lot overgelaten. De weeskinderen werden uitbesteed bij vreemden of bij een oom of tante ondergebracht. Zij werden als goedkope arbeidskrachten uitgebuit. De opvoeding en het onderwijs aan deze kinderen bleven achterwege. Daarom richtte de kapelaan in Schaesberg een Vincentiusvereniging op. Daarnaast kwam er een primitief huishoudschooltje waarover de Zusters Franciscanessen uit Heerlen de leiding kregen. Savelberg had ook plannen voor de stichting van een lagere school voor meisjes en een tehuis voor bejaarden en weeskinderen. De door de zusters gevraagde financiële garanties kon hij echter niet geven, waardoor de plannen niet konden worden uitgevoerd.
In november 1865 werd Savelberg benoemd tot kapelaan aan de St. Pancratiusparochie in Heerlen. Dezelfde wantoestanden die hij in Schaesberg had proberen op te lossen, trof hij ook in Heerlen aan. Het lukte hem ook nu weer niet voldoende geld voor een tehuis voor bejaarden en weeskinderen bijeen te brengen. Uiteindelijk was zijn overbuurman bereid zijn eigen huis als opvanghuisje ter beschikking te stellen. Op de 4de oktober 1867 werd het godshuisje geopend. Nu was het zaak zusters voor de verzorging te krijgen. Binnen een jaar had hij zeven godsdienstig ingestelde vrouwen gevonden. In 1870 betrokken de Franciscanessen een ander pand en kon Savelberg het oude gebouw huren. De kapelaan ging ook zelf in het pand wonen. In het begin werd er bittere armoede geleden. De zusters moesten bij de boeren in de omgeving om voedsel gaan bedelen. Op 21 juni 1872 werden de eerste zes novicen ingekleed en was de congregatie van de Kleine Zusters van de Heilige Joseph geboren. De zusters leefden volgens de regel van de Derde Orde van Sint Franciscus.
De mannelijke tak van de congregatie, de Broeders van de Heilige Joseph, kwam in 1878 tot stand. Op 16 juni van dat jaar werden de eerste twee broeders ingekleed. De bedoeling was een religieuze orde van broeders en priesters te stichten. De Latijnse school, die in het begin van de jaren tachtig werd opgericht, werd geen succes. Het plan om eigen priesters op te leiden moest men toen laten varen.
In de huizen van de congregatie werden veel zenuwpatiënten verpleegd. Toen de waterkuur van pastoor Kneipp uit Wörishofen in Beieren (D.) een goede geneesmethode voor deze zieken bleek, werd broeder Aloysius naar Beieren gestuurd om de Kneippmethode te leren. De Kneippinrichting van broeder Aloysius in Heerlen werd later een groot succes.
In 1879 vierde kapelaan Savelberg zijn 25-jarig priesterfeest. In hetzelfde jaar werd hij op eigen verzoek ontslagen als kapelaan en kon hij zich geheel aan zijn congregaties gaan wijden. Er kwamen nu van alle kanten verzoeken voor nieuwe stichtingen binnen. In 1876 werd een filiaal in Schaesberg ingericht. De eerste grote stichting buiten Heerlen vond plaats in Heel bij Roermond. Deze inrichting werd een toevluchtsoord voor imbiciele en idiote kinderen, epileptici, gebrekkige en kindse bejaarden, voogdij- en weeskinderen en maatschappelijk ongeschikten. In 1889 werden er kloosters in Waubach en Buggenum geopend. In beide dorpen begonnen de zusters een naai- en bewaarschool en verzorgden zij de wijkverpleging. In 1890 namen de zusters de huishoudelijke zorg in colleges en seminaries op zich. Zij trokken ook de grens over naar België: Lanaken, Rothem, Gellik en Stokkem. In deze plaatsen verzorgden zij de bewaarschool, het lager onderwijs, de wijkverpleging en de verzorging van armen, wezen en ouden van dagen. In het nieuwe St. Jozefziekenhuis van Heerlen, dat in 1904 zijn deuren opende, werden de zusters belast met de verpleging. De laatste stichting tijdens het leven van Savelberg was een doorgangshuis voor ongehuwde moeders en hun kinderen in Den Haag.
Bij het 25-jarig bestaan van de congregatie kregen alle broeders en zusters van Savelberg een exemplaar van de litanie van de nederigheid. Dit was een typisch cadeau van Savelberg. Eenvoud, bescheidenheid en nederigheid waren het kenmerk van zijn leven en hij wilde dat zijn zusters en broeders ook over deze eigenschappen zouden beschikken. Zelf was Savelberg een stille, wat schuchtere en bedeesde man. Hij was enigszins gesloten van aard en leefde graag in teruggetrokkenheid en stilte. Op 3 september 1904 vierde hij zijn 50-jarig priesterfeest. Heel Heerlen bracht hulde aan het "rectörke van het klösterke", zoals hij in Limburg genoemd werd. Bij deze gelegenheid werd hij wegens zijn grote verdiensten door paus Pius X tot erekamerheer verheven. Voortaan mocht hij de titel "monseigneur" voeren. De deken van Heerlen hing hem de bij deze onderscheiding horende paarse sjerp om. Nauwelijks was dit gebeurd, of de uiterst bescheiden man, verlegen met zoveel eer, vroeg om zijn overjas, trok hem aan en knoopte hem van boven tot onder helemaal dicht, zodat er geen snippertje paars meer te zien was. In 1905 werd Savelberg benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Begin 1907 werd hij ziek. Op 16 januari droeg hij zijn laatste Heilige Mis op. De bisschop had al rector Leonard Driessen als zijn opvolger aangewezen. Op 10 februari vierde hij zijn tachtigste verjaardag. Een dag later overleed hij, omringd door zijn opvolger en zijn broeders en zusters. De begrafenis werd een triomftocht. Van alle kanten stroomden de mensen toe om deze man, die zoveel voor armen en hulpbehoevenden gedaan had, de laatste eer te bewijzen. Mgr. Savelberg werd in een grafkelder op het kerkhof bij het klooster van de broeders in Heerlen begraven.
Op 8 september 1960 werd hij, in een speciaal voor hem gebouwde ronde kapel naast het moederhuis van de zusters, herbegraven. Het proces van zaligverklaring is in 1934 gestart. In 1988 kreeg hij de titel Eerbiedwaardig Dienaar Gods. Op 4 juli 1964 werd aan de Putgraaf een standbeeld van de monseigneur onthuld. Het is vervaardigd door de bekende beeldhouwer Mari Andriessen.
Geraadpleegde bronnen:
|