Rijckheyt - Centrum voor regionale geschiedenis
A A A

De graven van Ahr-Hochstaden, 11e - 13e eeuw
 
De ruiïne van het kasteel eens toebehorend aan de graven van Are-HochstadenIn een oorkonde uit 1065 van bisschop Udo van Toul wordt het allodium (eigendom, rechtsgebied) Heerlen genoemd. De Annales Rodenes duidden Heerlen in 1121 aan als ‘proprium’ van graaf Theoderich van Are. Beide heren, Udo van Toul en Theoderich van Are maakten deel uit van hetzelfde geslacht Van Are. De naam Are wordt voor het eerst genoemd in 1087. Theoderich wordt aangeduid als ‘comes de Hâra’. Even eerder wordt hij ‘Theodericus de Herlar’ genoemd.
Udo van Toul was van hoge afkomst. Zijn vader was Richwin van Ripuarië, zijn moeder Mathildis van Alemannia. Udo bezat de Allodia (eigen goederen) van Heerlen en Steinfeld. Het klooster Steinfeld was in 1069 gesticht door een zekere graaf Sigebodo, waarschijnlijk de broer van Udo. De Sigebodo’s waren de voorvaderen van de graven Van Are. Zij hadden vooral bezittingen in het gebied van Moezel, Rijn en Maas. We treffen in die tijd ook een aantal personen met de naam Richwin aan. Zij zijn eveneens voorvaderen van de Graven Van Are.
Er bestonden ook familiebanden tussen de graven Van Are en de graven, later hertogen, van Limburg. Theoderich I van Are leefde in dezelfde tijd als graaf Hendrik van Limburg, de latere hertog van Neder-Lotharingen.
Theoderich had zijn allodia Heerlen en Steinfeld verworven van zijn oom Udo van Toul. Hij is ook de eerste die de titel graaf van Are voerde. Hij had deze titel gekregen van keizer Hendrik IV di,e door het benoemen van nieuwe graven, een tegenwicht wilde vormen tegen de oude rijksadel. In de bovengenoemde oorkonde van 1087, opgemaakt op de hofdag van Aken, kreeg Theoderich de voogdij over de kerk van Echt. Hij was daarnaast nauw betrokken bij de gang van zaken in het Rijnland. We treffen zijn naam vaak aan als getuige op oorkonden, voor het laatst in 1126. Theoderich en zijn zonen zijn begonnen met de bouw van de Pancratiuskerk in Heerlen. Waarschijnlijk is hij de bouwer van de nog bestaande gevangentoren, oorspronkelijk zijn (versterkte) woontoren.
Theoderich I had zes zonen; drie van hen werden geestelijke. Zijn oudste zoon Lotharius erfde het graafschap en de titel. We treffen hem in de oorkonden aan met de toevoeging "comes" (graaf). Zijn broers worden aangeduid met enkel de toevoeging ‘van Are’. Lotharius was voor 1135 getrouwd met Hildigunde van Meer. Hun zoon Theoderich II komt vanaf 1149 in de oorkonden voor met dezelfde titel als zijn vader. Hij overleed in 1158 kinderloos.
De tweede zoon van Theoderich I, Gerhard, was van 1124 tot zijn dood in 1169 proost van het St.-Kassiusstift in Bonn. Daarnaast was hij van 1154-1160 proost van de St. Servaas in Maastricht. Zoon Otto trouwde met erfdochter Adelheid van Hochstaden. Otto werd daarmee de stamvader van de graven van Are-Hochstaden en de graven van Wickrath. Otto’s zoon Theoderich van Are-Hochstaden komt vanaf 1162 met deze titel in oorkonden voor. Uit de verdeling van de erfenis van Are na de dood van zijn neef Theoderich II (de zoon van Lotharius) verkreeg Theoderich van Are-Hochstaden de allodie in de streek van Heerlen en in het graafschap Zülpich en verder de voogdijen van Prüm tussen Ahr en Erft met Münstereifel, de voogdij over het klooster Steinfeld en tenslotte het westelijk deel van het graafschap Are.
Deze Theoderich van Are-Hochstaden wist een belangrijke plaats te verwerven in de buurt van de keizer. Hij trouwde met de dochter van de graaf van Dagsburg en werd zo verwant aan de keizers uit het geslacht Hohenstaufen. Met zijn jongere broer Otto bracht hij een verdeling tot stand. Otto noemde zich voortaan graaf van Wickrath en werd daarmee de stamvader van het geslacht Wickrath. Theoderich van Are-Hochstaden was vanaf midden jaren tachtig van de 12e eeuw de vertrouweling en raadgever van de toekomstige keizer Hendrik VI. Hij wordt in veel oorkonden van de keizer en de aartsbisschop van Keulen genoemd.
In 1190 vertrok hij samen met de aartsbisschop Philip van Heinberg naar het heilige Land om deel te nemen aan de kruistocht onder leiding van keizer Frederik Barbarossa. Na de dood van de keizer tijdens deze Kruistocht reisden beiden naar Rome om de kroning van de nieuwe keizer Hendrik VI voor te bereiden en bij te wonen. Theoderich nam ook deel aan het beleg van Napels, dat vroegtijdig moest worden opgebroken wegens een pestepidemie. De aartsbisschop van Keulen was een van de slachtoffers.
Tijdens de terugreis naar Duitsland werden vele oorkonden geschreven, waarin Theoderich vaak als getuige optrad. Bij de benoeming van de nieuwe bisschop van Luik in 1192 bleek de grote invloed van Theoderich op de keizer. Hij slaagde er namelijk in zijn broer Lotharius voor deze functie benoemd te krijgen. Korte tijd later werd een van de andere kandidaten vermoord. De verdenking viel op Theoderich. De hertogen van Brabant en Limburg namen wraak door de bezittingen van de graaf van Are-Hochstaden te veroveren en te verwoesten. De keizer bleef evenwel zijn vazal Theoderich steunen. Er kwam daarom een verzoening tot stand, waarbij Theoderich zijn bezittingen inclusief de stamburcht Are terugkreeg.
De opkomst van het geslacht Are vond plaats door toedoen van de aartsbisschop van Keulen. Het bezit van de familie van Are breidde zich steeds meer uit binnen de invloedssfeer van het aartsbisdom Keulen. In 1121 gaf graaf Theoderich I van Are het klooster Steinfeld in eigendom aan de kerk van Keulen en kreeg hij de voogdij over hetzelfde klooster als Keuls leen terug. De beide zonen van Theoderich I, Gerhard (proost van het St.-Kassiusstift in Bonn) en Frederik (bisschop van Münster), onderhielden nauwe betrekkingen met de aartsbisschop van Keulen. Proost Gerhard van Are behoorde tot de hoogwaardigheidsbekleders die in de oorkonden van aartsbisschop Reinald von Dassel van Keulen als getuige optraden. De aartsbisschop bemiddelde ook bij de burchtvrede tussen Theoderich van Are-Hochstaden en Ulrich van Are-Nürburg en verkreeg toen de mogelijkheid om de burchten Are en Nürburg militair te gebruiken. Onder aartsbisschop Philip van Heinsberg verschijnen ook vertegenwoordigers van de familie van Are in oorkonden. Bij het conflict tussen keizer en aartsbisschop stonden de graven van Are meestal aan de kant van Keulen.
In de tweede helft van de 12e eeuw was de macht van de familie van Are het grootst, maar deze macht was gegrondvest op de betrekkingen met de familie Hohenstaufen. Na de dood van keizer Hendrik VI in 1196 brak het conflict tussen Welfen en Staufen uit. De familie van Are werd in deze strijd verscheurd. Het verval werd daarnaast ook versneld door de vele verdelingen binnen het geslacht-Are-Hochstaden. De vorming van een groot grondgebied en een daarbijbehorende machtspositie werden daardoor onmogelijk. Het allodium Herle dat oorspronkelijk in handen was van Udo van Toul en nadien van de graven van Are, was nu in het bezit van het geslacht Hochstaden. Theoderich I van Hochstaden werd opgevolgd door zijn zoon Lotharius I. Deze had vier zonen en vijf dochters. Van de zonen werden twee geestelijke: Frederik werd proost van het klooster St.-Mariengraden in Keulen en Koenraad werd aartsbisschop van Keulen.
Lotharius II werd graaf van Are-Hochstaden. Hij nam samen met zijn zoon Theoderich deel aan een gewapend conflict tussen zijn broer Koenraad, aartsbisschop van Keulen, en de hertog van Brabant. Tijdens deze strijd werd Heerlen in 1239 door de hertog van Brabant veroverd. In 1244 volgde een definitief verdrag te Roermond. Het verdrag werd ondertekend door Theoderich II, die zijn vader Lotharius II was opgevolgd. Theoderich overleed in 1246 kinderloos. Zijn oom Frederik, proost van St.-Mariengraden, trad uit de geestelijke stand en werd graaf van Are-Hochstaden. Er dreigde bij de dood van Frederik een grote verdeling van de bezittingen van het geslacht Are-Hochstaden. De broer van Frederik, Koenraad, aartsbisschop van Keulen, greep nu in. In de zogenoemde Hochstadense Schenking van 1246 droeg Frederik de bezittingen van Hochstaden over aan de kerk van Keulen. De politieke en militaire rol van het geslacht van Are-Hochstaden was nu definitief ten einde. De hertogen van Brabant en de heren van Valkenburg namen die rol in Heerlen en omstreken over. Voor het beheer van de Keurkeulse en Wickrathse goederen werden leenhoven opgericht.
 
Literatuur
 


(laatst gewijzigd op 29 September 2014)
print