Opkomst en ondergang van de Limburgse mijnindustrie

Van 'zwart naar groen': dat was de slogan bij de sloop van de Limburgse mijnen. De mijnen brachten Zuid-Limburg veel economische voorspoed en werkgelegenheid, maar zorgden tevens voor een onuitwisbaar litteken. De monocultuur van de mijnindustrie bracht een groot risico met zich mee: de eventuele sluiting van de mijnen zou desastreuze gevolgen hebben. Achteraf is het makkelijk oordelen: wijzen naar anderen is echter geen optie voor de voormalige mijnstreek. Toch is een zeker slachtoffersentiment met goede argumenten te onderbouwen. De zekerheden die kerk en mijn boden waren opeens weg. Het vertrouwen in de politiek was weg. Tientallen mijnwerkers werden werkloos. Voormalige mijndorpen verarmden en criminaliteit floreerde in sommige regio's. De mijnen waren echt iets om trots op te zijn. Heerlen was een bloeiende en welvarende stad. Het Jaar van de Mijnen (2015) in Heerlen en omstreken zorgde voor een zeker historisch bewustzijn: talloze jongeren maakten kennis met het mijnverleden, hun mijnverleden, en snapten de verhalen van hun grootouders.

In de twaalfde eeuw begonnen de monniken te Rolduc (Kerkrade) met mijnbouw. In de Franse Tijd kwam de mijn te Rolduc in handen van de Nederlandse staat. De daaropvolgende eeuwen kwam de mijnindustrie tot verdere ontwikkeling. Tijdens de industriële revolutie was steenkool een zeer belangrijke energiebron. In de negentiende eeuw waren er in Limburg twee steenkolenmijnen in bedrijf: Domaniale Mijn en Neuprick te Kerkrade. Tussen 1899 en 1927 werden een aantal nieuwe mijnen geopend. De oprichting van de Maatschappij tot Exploitatie van de Limburgse Steenkolenmijnen (1893) vormde een eerste aanzet tot het ontstaan van grootschalige mijnindustrie. Zowel particuliere als staatsmijnen werden opgericht. Domaniale, Neuprick, Oranje-Nassaumijnen (Heerlen en omgeving), Laura en Julia (Eygelshoven) en Willem-Sophia (Spekholzerheide) waren particuliere mijnen. Na de oprichting van de particuliere mijnen nam de Nederlandse staat het initiatief tot oprichting van staatsmijnen en zou de Nederlandse staat de ontwikkeling van de Limburgse mijnindustrie bepalen. Economische argumenten vormden aanleiding tot de ontwikkeling van grootschalige industrialisatie. In 1902 traden de staatsmijnen in werking: Wilhelmina (Terwinselen), Emma (Hoensbroek), Hendrik (Brunssum), Maurits (Geleen). Qua personele bezetting en productieaantallen overtroffen de staatsmijnen de particuliere.

Marcia Luyten spreekt in ‘Het Geluk van Limburg’ van ‘social engineering’: Limburgse agrariërs moesten tot mijnwerkers (om)gevormd worden. Door de snelle groei van het aantal mijnen nam de vraag naar mijnarbeiders sterk toe. De overheid besloot mijnwerkerskoloniën te bouwen om mijnwerkers(gezinnen) te huisvesten. Mijnwerkers kwamen van heinde en verre. Uit Polen, Duitsland en Slovenië kwamen de meeste arbeiders. De explosieve bevolkingsgroei zorgde ervoor dat steden als Heerlen, Kerkrade, Brunssum, Hoensbroek en Geleen drukbevolkte gebieden werden. Heerlen werd het centrum van de Limburgse mijnindustrie. Auto- en tramwegen werden aangelegd om vervoer van arbeiders en goederen mogelijk te maken. De beurscrash van 1929 zorgde ervoor dat duizenden arbeidsplaatsen verloren gingen. Toch herstelde de Limburgse mijnindustrie relatief snel. Gedurende een halve eeuw zorgden de Limburgse steenkolenmijnen voor grote werkgelegenheid.

De Oranje-Nassau I. Bron: Rijckheyt 328-010 Collectie foto's, dia's en prentbriefkaarten, nrs. 22501 e.v., 1890 - heden. 23293. Oranje-Nassaumijn I., 1920.

Op 17 december 1965 werd duidelijk dat de Limburgse mijnindustrie geen toekomst had. Door de vondst van aardgas en door de kolenslag met de Verenigde Staten en andere landen daalde de opbrengst van de Limburgse steenkolen gestaag. Joop den Uyl, toenmalig minister van Economische Zaken, maakte destijds bekend dat de Limburgse mijnen binnen een tijdspanne van tien jaar gesloten zouden worden. Den Uyl beloofde vervangende werkgelegenheid. Tienduizenden mensen werden ontslagen. Nieuwe ondernemingen ontstonden, onder meer: DAF, ABP en CBS. Ondanks vestiging van deze en andere bedrijven bleef het werkeloosheidspercentage in de Mijnstreek groot. Mensen verloren niet alleen hun werk, maar ook hun bestaanszekerheid en beroepstrots. Hun sociale leven ontwrichtte. Veel huwelijken eindigden in scheidingen. Mensen werden verbitterd en boos omdat zij zich door overheid, kerk en mijndirectie in de steek gelaten en misbruikt voelden. Sommigen oud-kompels beweerden als ‘slaaf’ door mijndirectie en overheid behandeld te zijn. Compensatie voor geleden leed, bijvoorbeeld het hebben van silicose, werd niet of nauwelijks geboden.

 

Nadere bronnen en literatuur:

Knotter, A., Langeweg, S., Nijhof, E., Peet, J., & Rutten, W. (2013). Mijnwerkers in Limburg, een sociale geschiedenis. Nijmegen: Vantilt.

Kreukels, L. (1986). Mijnarbeid: volgzaamheid en strijdbaarheid. Van Gorcum Maastricht.

Luyten, M. (2015). Het Geluk van Limburg. Uitgeverij De Bezige Bij.

Nijsten, W. (1977). Ik zwarte blanke slaaf. Het levensverhaal van een mijnwerker. Uitgeverij Corrie Zelen, Maasbree.

 

Onze archieven en collecties