Heksenprocessen in Limburg

Processtukken van hekserijprocessen zijn bizar leesvoer. Rechters die mensen ter dood veroordelen voor misdrijven die ze onmogelijk begaan kunnen hebben. Drie eeuwen lang, tussen 1450 en 1750, voerden rechters in de Nederlanden strijd tegen heksen en tovenaars. Vervolging van heksen heeft echter niet altijd bestaan. In 906 werden mensen, die in luchtrittenmakende vrouwen geloofden, nog uitgemaakt voor ketters. In de 12e en 13e eeuw veranderde deze houding door de demonenleer. Eerst waren de straffen naar aanleiding van de heksenprocessen nog mild, maar vanaf de 13e eeuw wordt verbranding voor het eerst genoemd als straf.

Heksenvervolging en kettervervolging gingen samen. Vanaf de 15e eeuw werden heksenprocessen een monopolie van de kerk via de inquisitie.  In 1484 werd de pauselijke bul "Summis Desiderantes Affectibus" uitgevaardigd. In 1486 verscheen de Malleus Maleficarum (de Heksenhamer) van de hand van Jacob Sprenger en Heinrich Institorius (beiden lid van de inquisitie).  De Malleus Maleficarum bestaat uit drie belangrijke delen. Het eerste wil bewijzen dat hekserij wel degelijk bestaat, het tweede vertelt over de vormen die hekserij aanneemt en het derde en laatste deel beschrijft hoe heksen herkend kunnen worden, voorgeleid en berecht. Vanaf nu was de heks een persoon die haar kracht ontleende aan een pact met de duivel.

Waar baseerde men het heksengeloof op? Heksen vlogen rond op bezemstelen. Ze waren namelijk erg licht. Hierdoor werd de waterproef door rechters als test gebruikt. De verdachte werd in het water gegooid. Bleef deze drijven dan was de heks schuldig. Zonk de beschuldigde, dan was zij onschuldig. In 1594 stelde een aantal Leidse professoren een verklaring op waarin zij de waterproef als bewijslast afwezen.

Mensen geloofden dat heksen een pact met de duivel sloten. Zij werden gezien als ketters die het christelijke geloof verwierpen. Heksen werden hiervoor vaak op de brandstapel ter dood gebracht of zwaar gegeseld en opgesloten om te kijken of zij zich beterden. Heksen konden mensen en dieren kwetsen en doden. Zij konden ingrijpen in de natuurlijke gang van zaken (koeien die ineens geen melk meer gaven). Zij hadden invloed op het weer en verstoorden seksuele relaties tussen mensen. Zij deden al deze daden door het uitspreken van een vloek of door fysiek contact.

Men maakte onderscheid tussen zwarte en witte magie. Bij witte magie werden middeltjes en spreuken bedacht die de effecten van zwarte magie teniet moesten doen. De scheidslijn tussen zwarte en witte magie was voor de bevolking erg vaag. Er kwamen af en toe ook witte heksen onder verdenking van tovenarij te staan.

Wat was de gemiddelde heks voor persoon? Hier is geen eenduidig antwoord op te geven. De maleficia betoveringen) worden uitvoerig beschreven, maar de achtergronden van de heks worden niet vermeld. Soms zijn er nog uitgebreide getuigenverklaringen terug te vinden, waarin wel nog wat achtergrondinformatie over de persoon achter de vermeende heks te vinden is.

Driekwart van de beschuldigden is vrouw. Hoe is dit te verklaren? Al in de oudheid was het prototype van de heks een vrouw. Vrouwen werden als moreel zwakker gezien en men dacht dat zij eerder zouden bezwijken voor de duivel dan mannen. Deze gedachte is terug te voeren op het geloof. Het bijbelse beeld van de vrouw is een verleidster. Ook is het terug te voeren op de rol van de vrouw in het gezin en de samenleving. De vrouw bereidt het voedsel, is vaak vroedvrouw en beoefent de geneeskunst. Hierdoor komt zij sneller dan de man in de gelegenheid tot het bedrijven van zwarte magie.

Heksen waren vaak oudere, alleenstaande vrouwen. In Tongeren werd in 1668 een tachtigjarige vrouw van hekserij beschuldigd en gemarteld! Verdenkingen slepen soms jaren, voordat het tot een beschuldiging komt. Hierdoor zijn de vrouwen dus al wat ouder. Toch werden af en toe ook jongeren (en soms zelfs kinderen) van tovenarij beschuldigd. Een flink deel van de vermeende heksen was ongehuwd of weduwe en arm. Ongebonden vrouwen waren een bron van angst. Zij waren sneller door de duivel te verleiden. Toch werden ook getrouwde vrouwen van hekserij beschuldigd. Dit was meestal het gevolg van conflicten binnen het gezin. De man beschuldigde dan de vrouw van hekserij.

In de processen gold alleen de bekentenis van de beklaagde als volwaardig bewijs. Dit werd vaak na tortuur verkregen. Er waren wel beperkende bepalingen om misbruik en willekeur bij de tortuur te voorkomen. Tortuur mocht alleen toegepast worden bij voldoende aanwijzingen van een zware misdaad en er mocht alleen gemarteld worden als het lichaam van de beklaagde dit aankon. Deze beperkingen werden in de praktijk echter omzeild.

De gebruikelijke straf was verbranding. Verbranding diende ter zuivering van de ziel. Vaak werd de ter dood veroordeelde een zakje kruit op de borst gebonden om hem snel uit het lijden te verlossen om de duivel, door de explosie, uit het lichaam te verjagen. Meestal werd er, om de brandstapel, een "Huysken" gebouwd. Zo werd het tafereel aan het zicht van de toeschouwers onttrokken. Wie bleef ontkennen werd verbannen. Dit lijkt een milde straf, maar deze beschuldigden konden moeilijk onderdak vinden en waren in een nieuwe plaats al snel het slachtoffer van nieuwe beschuldigingen. Bannelingen die probeerde terug te keren, riskeerden uiteindelijk toch een wisse dood.

Het eerste heksenproces in de zuidelijke Nederlanden (voor zover bekend) vindt in 1522 te Roermond plaats. Trijn van der Moelen wordt van hekserij beschuldigd. "Te Vlodrop ontmoette zij een man te paard. Zij vroeg of ze een stuk op het paard mocht rijden. De man weigerde dit. Hierop gooide Trijn, uit naam van de duivel, een kluit aarde richting het paard. Deze struikelde en viel neer". Trijn werd berecht en schuldig bevonden. Zij eindigde op de brandstapel.

In hetzelfde jaar bekenden twee vrouwen, mensen en dieren betoverd te hebben waardoor deze stierven. Ook deze twee vrouwen eindigden op de brandstapel.

In 1581 volgde het proces van Kael Merrie. Zij had, volgens haar buurvrouw, het buurkind op straat geknuffeld. Hierna had het kind een zeer ernstige ziekte gekregen. Ook zou Kael Merrie een varken een verlamming aan de achterpoten bezorgd hebben en een koe geen melk meer hebben laten geven. Diverse getuigen konden de rechtbank echter niet verzekeren dat zij dit daadwerkelijk gedaan had. Merrie werd, bij gebrek aan bewijs, vrijgesproken. Ze werd, door de haat van het volk, uit Roermond verbannen. Toen zij net buiten de stad was, werd ze door soldaten en omstanders mishandeld, vastgebonden en in de Maas gegooid. Merrie verdronk. Hierna werd het, qua heksenprocessen even rustig.

Het startsein voor de echte heksenjacht in de zuidelijke Nederlanden wordt in 1599 gegeven door de publicatie van Martinus Delrio; Disquisitiones Magicae (onderzoekingen over tovenarij). In 1613 laaide de woede enorm op. Een aanschrijving van Aartshertog Albert voedde deze woede (alle vroegere mandaten met betrekking tot hekserij bleven gehandhaafd).

Vanaf 24 september 1613 werden in Roermond ongeveer om de twee dagen heksen of tovenaars verbrand. In totaal zijn zo 64 heksen/tovenaars terechtgesteld. Wie niet uit zichzelf bekende, werd door de Beul van Maastricht net zolang gemarteld tot men bekende.

Welke vragen werden aan beschuldigden gesteld:

  • Wat het gedrag tot godsdienst was. Hierbij doelde men op het gebruik der sacramenten, gebruik van wijwater en/of men gebrandmerkt was door de duivel.
  • Welk kwaad men gesticht had. Hierbij wilde men weten of de beschuldigde onwondbaar was, geen pijn voelde of men een toverpot bezat en hoe men mens en dier betoverde.
  • Wat de intieme relaties tot de duivel inhielden. Welke speciale relatie had de beschuldigde met de duivel?
  • Waar en wanneer de heksendans werd uitgevoerd. Hoe bereikte men de dansplaats, waar bevond deze zich en wie namen deel aan deze dans? De gedachtengang van de rechters hield verband met de Walpurgisnacht

In Limbricht vond in de zomermaanden van 1674 een heksenproces plaats. Op 4 augustus 1674 werd Entgen Luyten, een oudere weduwe, beschuldigd van hekserij. Zij wist echter totaal niet wat dit inhield. Op 13 augustus 1674 volgden nadere getuigenverhoren. Dit proces sleepte lang, aangezien de beschuldigde toch al gevangengenomen was en de Schepenbank zodoende geen haast had. Op 10 september 1674 werd er een rapport over de vermeende hekserij van Entgen opgemaakt door Nicolaus Helgers. Het rapport adviseerde om de verdachte nogmaals te confronteren met bestaande en nieuwe getuigen. Helaas speelden de gevangenschap en de verhoren de oude vrouw parten en werd zij op 9 oktober 1674 dood in haar cel aangetroffen. Entgen werd toch schuldig bevonden en de doodstraf werd postuum uitgesproken.

In Maastricht zijn maar een klein aantal heksenprocessen gevoerd. In 1611 werd een heks ter dood veroordeeld en in 1612 werd de laatste heks (Elisabeth Rythoven) gedood.

In Wijlre werd één dame, Heyl Bosch, van hekserij beschuldigd. De aanklaagsters waren Mey Pulmans en haar dochter Agnes. Heyl zou een koe hebben betoverd, waarna het stierf. Bij de autopsie van de koe werd er een slang in de ingewanden gevonden. Heyl liet het niet bij de beschuldigingen zitten. Zij klaagde de dames Pulmans aan wegens laster. Uiteindelijk werd er een schikking getroffen. Pulmans moest de aanklacht intrekken en tweederde van de proceskosten betalen. Hierna komen er in Wijlre geen heksenprocessen meer voor.

In het land van Valkenburg zijn gerechterlijke vervolgingen van heksen ook zeldzaam. De straffen, die uitgedeeld werden, waren wel gelijk aan de rest van het land (verbanning en verbranding).

Bij het rechtspreken via het Germaanse recht kwam er nog geen doodstraf voor. Dit veranderde met de invoering van het Romeins recht. De rechtbanken werden toen wreder. Indien de Schepenen van Valkenburg de doodstraf (verbranding) uitvaardigden, gebeurde het volgende:

  • Er werd een zware staak op de gerechtsplaats "de Lommelenberg" in de grond geheid. Aan deze paal bevonden zich een ketting en een halsband.
  • Rond deze staak werden takkenbossen en andere brandbare stoffen op een hoop geschaard.
  • Het slachtoffer werd op de brandstapel geketend.
  • Als de rechters mild gestemd waren dan werd het slachtoffer eerst gewurgd.
  • Bij een vrouw werd de staak omgeven door een prieeltje van takken en bladeren (zo werd het tafereel aan het oog van de toeschouwers onttrokken).
  • De beul leidde het slachtoffer naar de stapel en stak deze in brand.

In 1529 vervolgde Erard van Paland (vrijheer van Wittem), drost en crimineel officier, twee vrouwen (Maria van Yzeren en Geertruij Claeren) wegens hekserij. Ze werden gerechtelijk onderzocht, door de beul gepijnigd en uiteindelijk verbannen.Op 14 mei 1620 berecht Maximiliaan, Graaf van Aldegonde en drost, twee vrouwen (Heylken Molenjan en Maria Schull uit Bunde) voor hekserij. Zij werden in juni 1620 verbrand op de brandstapel.Op 3 mei 1649 worden vier broers berecht wegens tovenarij. Zij worden alle vier ter dood veroordeeld.Op 20 juli 1649 werd een meisje van veertien jaar onthoofd en gewurgd wegens hekserij.In september 1778 vindt uiteindelijk de laatste heksenvervolging in het land van Valkenburg plaats. Deze vrouw ontliep de brandstapel doordat de dorpsbewoners medelijden met haar kregen.

In de 17e eeuw ging de storm van heksenprocessen liggen. Heksen waren bezeten en dus ziek (opkomst van de Verlichting). Melancholie werd verantwoordelijk geacht voor de heksenwaan.

Nadere bronnen en literatuur: