Bruinkoolwinning

Bruinkool is al vroeg in de geschiedenis bekend. Merkwaardig is dat bruinkool het eerst als verfstof werd gebruikt.

Met de toepassing als brandstof wilde het in het algemeen niet zo lukken. Als meststof had bruinkool aanvankelijk meer succes. De bruinkool werd ter plekke verbrand en de achtergebleven as werd verkocht aan de boeren.

 

De Krimoorlog ((1853-1856) had grote invloed op de prijzen van kolen en staal en zo komt bruinkool als energiebron in zicht. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd brandstof wederom schaars en werd de bruinkoolwinning in Nederland op gang gebracht.

Bruinkool ontstaat, evenals steenkool, uit afgestorven plantenmateriaal en vormt een tussenstadium in de reeks plantenresten: veen (turf) - bruinkool - steenkool - anthraciet. Deze reeks wordt ook wel "inkolingsreeks" genoemd naar het proces van inkoling. Bij inkoling treden - onder invloed van temperatuur, druk en tijd - chemische en fysische veranderingen op. In de korrelige bruinkool zijn de oorspronkelijke plantendelen vaak niet meer te herkennen. Wel zijn nog boomwortels, takken en vruchten te onderscheiden, maar goed bewaarde bladeren zijn moeilijker te vinden. De bekendste bruinkoollagen zijn circa tien tot twintig miljoen jaar oud en behoren tot het tertiair. Om steenkool en bruinkool te onderscheiden wordt de kool met kaliloog gekookt. Een bruin extract wijst op bruinkool, terwijl het extract uit steenkool kleurloos blijft.

Nederland is arm aan bruinkool. In Limburg komen aan de oppervlakte bruinkoollagen voor van circa tien meter. Deze lagen bestaan meestal uit twee tot vijf meter individuele bruinkoollaagjes van uiteenlopenede dikte, door zand- en klei-inschakelingen gescheiden. Het onregelmatige verloop van de diepteligging en de dikte van deze bruinkoollagen maakte ontginning niet meer aantrekkelijk. Bruinkool werd vooral bij Eygelshoven, Brunssum, Hoensbroek en Tegelen tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw als brandstof ontgonnen. De eerste groeve was de "Carisborg"  bij Hoensbroek en de laatste groeve heette de "Anna" bij Eygelshoven.

De dalende bruinkoolprijzen en de stijgende arbeidslonen, gedurende jaren 1917 en 1920, waren er de oorzaak van dat vele groeven niet meer konden renderen, zeker niet bij een ongunstige ligging van de lagen waarbij veel dekterrein moest worden verwijderd.

De arbeiders werkten gemiddeld tien uur per dag en op zaterdag zeveneneenhalf tot acht uur. In 1917 verdiende een arbeider (boven de zestien jaar) gemiddeld ƒ 3,00 per dag, in 1918 ƒ 4,47 en in 1920 ƒ 6,54.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog produceerde Nederland anderhalf miljoen ton bruinkool per jaar. In 1921 was dit echte gedaald tot 121.715 ton per jaar.

In Zuid-Limburg vond ontginning van de dunne bruinkooluitlopers plaats tot op geringe diepte. Plaatselijk werden daartoe kleine groeves gemaakt tussen de bestaande wegen en dorpen in. Hierdoor zijn er in Limburg geen dorpen, wegen en boerderijen verdwenen. In Duitsland is dit wel het geval geweest. Hier wordt echter op grotere diepte bruinkool gedolven.

Nadere bronnen en literatuur: