Pottenbak industrie

De Romeinen waren al op de hoogte van de aanwezigheid van de klei iets ten noorden van de Zuid-Limburgse löss. Ze wisten ook al dat deze klei prima was voor het bakken van keramische producten. Zowel in Heerlen als in Brunssum zijn diverse Romeinse pottenbakersovens teruggevonden en veel producten van deze nijverheid. Maar met het verval van het Romeinse rijk verdwijnt echter ook de kennis en vrijwel de gehele pottenbakkersnijverheid.

Halverwege de elfde eeuw ontstond er echter in de omgeving van Brunssum en Schinveld een nieuwe keramische industrie. De klei in deze omgeving heeft namelijk een hoog kaoliengehalte, wat zogenaamd, porseleinaarde opleverde. De geboetseerde gebruiksvoorwerpen werden in ovens gebakken op een temperatuur tussen de 900 en 1300 graden. De middeleeuwse ovens waren bijzonder van vorm. Ze bestonden uit twee kamers. De eerste kamers kende een opening aan de voorkant en was verbonden met een tweede kamer (bakruimte) die iets hoger lag, koepelvormig was met een plateau in het midden en verder alleen een schoorsteen had. In de eerste kamer werd het vuur gestookt en door middel van twee kanalen en de zuigende werking van de schoorsteen werd de verhitte lucht de bakruimte ingetrokken. Om de potten na het bakken te verwijderen moest de achterwand van de tweede kamer opengebroken worden en bij nieuwe baksels moest de oven werd dichtgebouwd worden.

Er werden bolvormige kookpotten, tuitpotten en steelpannen gebakken. De potten en pannen waren voornamelijk gebruiksaardewerk, bestemd voor de verkoop, alhoewel er ook kandelaars en rammelaars gevonden zijn. De behandeling en afwerking van het aardewerk is sober. Aanvankelijk werd potten voorzien van ribbels en plooien, waarvan overigens niet geheel duidelijk is of ze nu ter versiering zijn aangebracht of zijn ontstaan tijdens het boetseren op de draaischijf. Later werd het geelwitte oppervlak van het vaatwerk voorzien van roodbruine krullen of arceringen dat ook wel “pseudo-Pingsdorfer” wordt genoemd. Ook werden potten voorzien van glazuur. Het aanbrengen van glazuur was uiteraard functioneel.  Het zorgde voor waterdichtheid van de pot. Maar wanneer de kunst van het bakken zover is geëvolueerd dat het glazuren eigenlijk niet meer nodig is, zien we toch nog potten met een glazuurlaag. Hieruit mag dus weer geconcludeerd worden dat het glazuur ook als versiering werd aangebracht. Aan het eind van de veertiende eeuw houdt de keramische industrie te Brunssum weer op te bestaan. Duidelijk redenen hiervoor zijn niet te geven. Er is wel beweerd dat het te maken zou hebben met een pest-epidemie, maar het is waarschijnlijker dat sociaal-economische factoren in de vorm van opkomende keramische industrie elders, zoals te Raeren, een rol hebben gespeeld in de teloorgang van deze industrie.

Nadere bronnen en literatuur:

Tags

Plaatsen

Tijdsperiodes

Thema's

Beroepen