Fruitteelt en stroopfabricage

Tussen 1802 en 1807 werd door Jean Joseph Tranchot, een Franse militair, het door de Fransen veroverde gebied tussen Maas en Rijn in kaart gebracht. Uit deze kaarten blijkt dat er om vrijwel alle Limburgse dorpen heen een flink aantal fruitboomgaarden annex weilanden te vinden waren. Het zijn de lichtgroene vlakken, voorzien van regelmatige stipjes. Uit cijfers blijkt dat dit areaal aan fruitboomweilanden in de negentiende eeuw alleen maar verder toenam. Rond 1870 was er te Limburg zo’n 6000 hectare aan fruitboomgaarden. Rond 1920 was dat zelfs toegenomen tot zo’n 8000 hectare. De reden van deze toename lag in de toename van de veeteelt in Limburg. Akkerlanden werden omgezet in weilanden door dalende winstgevendheid in de landbouwsector. In deze weilanden werden, net als in de traditionele “hoeswei”, fruitbomen geplaatst. Dit was mogelijk omdat het zogenaamde hoogstamfruitbomen waren. Het vee kon dus al grazend onder de bomen blijven lopen. Op deze manier werd het stuk dus zowel als weiland en als fruitboomgaard gebruikt. Toch was de opbrengst in de negentiende eeuw per hectare matig, ongeveer 2000 a 3000 kilo per hectare. Fruitbomen waren gewone bomen. Tegenwoordig noemen we dat hoogstambomen om het verschil aan te duiden met de gekweekte laagstam fruitbomen. Deze laatste zijn gekweekte soorten en bestaan eigenlijk uit twee soorten bomen. Het onderste deel van de boom is een wortelsysteem. Een korte stam van één bepaalde soort dat snel en stevig groeit, maar nauwelijks of geen fruit geeft. Het bovenste deel van de boom is een andere boomsoort en wél één waaraan veel fruit groeit. Deze bomen zijn daarnaast kunstmatig stukken kleiner. Hierdoor kon het fruit gemakkelijker geplukt worden en de bomen konden kort op elkaar geplant worden. Uiteraard had dat gevolgen. Hoogstamfruitbomen verdwenen uit het landschap. Daarnaast nam het gelijktijdig gebruik van land als weiland en fruitboomgaard af. Vee en laagstamfruitbomen op één stuk land is namelijk niet mogelijk. Het voordeel was wel dat de fruitopbrengst enorm toenam. Tegenwoordig brengt een dergelijk fruitboomgaard ongeveer 50.000 tot wel 70.000 kilo per hectare per jaar op. Rijp fruit werd niet geplukt, maar geschud. Men trok dan voorzichtig aan de takken, waardoor het rijpe fruit naar beneden viel. Na het schudden werd het fruit opgeraapt en in jutten zaken gedaan. Deze zakken werden in een kar gelegd waarvan de bodem met stro bedekt was. De in Limburg welbekende sterappeltjes werden, voordat ze verwerkt of verkocht werden, nog “behandeld”. Deze appel die naar alle waarschijnlijkheid afkomstig is uit Limburg, moet rond 1830 zijn ontstaan. Het geplukte appeltje is erg zuur en werd meestal op stro gelegd, zodat ze in de zon kon nakleuren. Hierdoor kreeg de appel de welbekende felrode kleur en wordt de smaak minder zuur. Een deel van het fruit was voor eigen consumptie. Dit deel werd in linnen zakken op zolder bewaard. Een ander deel werd verwerkt tot appelwijn of appelazijn. Maar het merendeel van het fruit ging echter naar de stroopkokerij.

Het bereiden van stroop was iets dat al bekend was bij de Germanen. Bij hen was het aanvankelijk een methode om appels langdurig te kunnen bewaren. Niet-houdbare appels werden in brede, ondiepe potten gekookt tot het grootste deel van het vocht verdampt was. De overgebleven moes bevatte zoveel suikers dat het lang houdbaar was. Later werd er een mengsel van appels en peren gebruikt voor de stroopfabricage. De meest gebruikte verhouding is drie-kwart peren en een-kwart appels, waardoor het suikergehalte nog meer kon toenemen. De werkwijze was als volg: eerst werden de peren en appels gewassen en in een grote ketel gestort en werd deze op een vuur geplaatst. Als brandstof werd in deze regio meestal sjlam of kolenslik gebruikt. Sjlam was een mengsel van kolengruis met leem of mergel dat tot klompen was geperst en zonder te vlammen heel lang kon blijven gloeien. Het gekookte fruit werd na ongeveer 6 uur sudderen eruit genomen en geperst zodat het vocht eruit liep. Dit vocht werd daarna verder ingekookt. Eenmaal goed ingedikt werd het eruit gehaald en in zogenaamde baren (Keulse potten) gedaan om het verder af te laten koelen en om het in te bewaren. Uit 100 kilo fruit werd zo ongeveer 10 kilo stroop gewonnen. Vanaf de negentiende eeuw werd in de Europese landbouw ook de suikerbiet geteeld. Een productie die sterk toenam na de afschaffing van de slavernij in 1833. Deze suikerbieten zouden vanaf 1900 het gebruik van peren in de stroopfabricage grotendeels vervangen. 

Gedurende de 19e eeuw werd de praktijk van het thuis stroopmaken gemechaniseerd en namen kleine fabriekjes de stroopproductie over. Vrijwel ieder dorp in Midden- en Zuid-Limburg kende zijn eigen stroopfabriekje. Vele dorpen hadden er veel meer. Zo is bekend van Eijsden dat hier 25 stroopfabriekjes waren. In 1889 waren er circa 300 stroopfabriekjes in Limburg, rond 1920 waren er nog slechts zes over; Canisius te Schinnen, Jacobs te Eysden, Nagelschmidt te Meerssen, Sicof te Beek, Solberg te Puth en Timson te Beesel. Anno 2007 zijn er nog twee stroopfabrieken over, “Canisius” te Schinnen en “Frumarco” te Reuver. Deze laatste is een fusie van de voormalige stroopfabrieken Timson te Beesel en Sicof te Beek.

Stroop werd niet alleen op de boterham gebruikt. Het werd en wordt ook nog steeds veel in de Limburgse keuken gebruikt. Daarnaast werd aan stroop van oudsher een gezonde en zelfs helende werking verbonden. Zo gaf een te hulp geroepen dokter als advies aan de ouders van een ziek kind “Geef hem maar stroop”. Waarschijnlijk had een dergelijk advies relatie met het hoge ijzergehalte van stroop. Dit ijzer was niet afkomstig van het fruit zelf, maar van de potten waarin het fruit werd gekookt. Toen de appelstroop vanaf de jaren vijftig niet meer in ijzeren potten werd gekookt, nam ook het ijzergehalte sterk af. Enkele stroopfabrikanten zijn daarna overigens overgestapt tot het alsnog toevoegen van ijzer aan de appelstroop.

Nadere bronnen en literatuur: