Leenstelsel

De inrichting van de maatschappij en de werking van overheidsinstellingen was tot het eind van de 18e eeuw op het platteland (waartoe de Rijckheytregio gerekend kan worden) nauw verbonden met het bezit van grond. Op een stuk grond zaten allerlei economische, bestuurlijke en juridische rechten waar een eigenaar vrijelijk over kon beschikken. Iemand die een stuk grond in bezit had, noemen we een landsheer. Een landsheer kon op zijn grond mensen laten wonen en werken tegen een deel van de opbrengst van de oogst. Die mensen moesten zich dan ook houden aan de wetten opgesteld door de landsheer en bij overtredingen de boete’s aan hem betalen. Ook de rechten op het heffen van belastingen (op onroerend goed, tolrecht en dergelijke) lagen bij de landsheer. Een landsheer was meestal een persoon en vrijwel altijd van adel. Maar ook een instelling als de kerk of een klooster kon als landsheer fungeren. De verbinding tussen de landsheer en zijn leenmannen noemen we een leenband. Een leenband werd over het algemeen met veel symboliek bevestigd. Op de afbeelding hiernaast is een dergelijke bevestiging afgebeeld. Hierop zweert ridder Roland (de leenman) trouw aan zijn leenheer Karel de Grote. In de praktijk kon deze Roland zelf ook weer optreden als leenheer. Hij kon immers stukken land weer in leen geven aan zijn leenmannen.

Soms had de landsheer zelfs iets te zeggen over de kerk, bijvoorbeeld bij het aanstellen van een nieuwe pastoor. Dat wordt ook wel het collatierecht genoemd. Deze gehele structuur van het in bezit kunnen hebben en dus ook kunnen verhandelen van rechten afkomstig van grondbezit wordt de feodale structuur genoemd. Nu waren er enkele landsheren die gebieden en bijbehorende rechten gingen verzamelen, aankopen en ruilen. In veel gevallen voerden ze er ook oorlog om. Zo probeerden ze een aangesloten groter gebied te krijgen. Hieruit ontstonden onder andere de graafschappen en hertogdommen waaruit het huidige Nederland en België was opgebouwd. Binnen een graafschap of hertogdom was er dus één landsheer; de graaf of de hertog. De graaf had bij zijn bestuur en oorlogsvoering hulp nodig en om die te krijgen, gaf hij vaak de rechten op die stukken grond in (bruik)leen aan mannen die hem daarop beloofden bij te staan wanneer dat nodig zou zijn. Waar de landsheer de bestuurlijke en juridische rechten (niet het grondgebied) verpande, via tijdelijke verkoop of verhuur of zelfs verkocht, ontstonden de zogenaamde heerlijkheden. Op de gebieden waar de originele landsheer deze rechten zelf in bezit hield, werd door plaatsvervangers en schepenbanken het bestuur en de rechtspraak ten uitvoer gebracht. 

Een leengoed kon riddermatig zijn. Dat betekende dat de bewoner van het goed, mits hij van adel was, mocht deelnemen aan de periodieke vergaderingen waaraan ook de landsheer deelnam. Zo'n vergadering werd veelal een statenvergadering genoemd

Het bijhouden van lenen, de administratie daarvan alsmede rechtszaken over leengoederen en de daaraan verbonden verplichtingen, werden voor een leenhof gehouden. Het aangaan van een verbintenis of vernieuwen van de leenband tussen leenheer en leenman werd "verheffing" genoemd. Voor bijvoorbeeld de leengoederen die behoorde tot de zogenaamde "Keurkeulse Mankamer" werden deze handelingen gedaan in het Manhuis te Heerlen. Verheffingen, inningen van geld en de rechtszaken werden vrijwel allemaal opgeschreven en zijn voor een deel bewaard gebleven in diverse archiefstukken.

Nadere bronnen en literatuur: