Mijnbouw

Vanaf de industriële revolutie steeg de vraag naar steenkool in Europa. Overal in Europa verschenen begin 20ste eeuw mijnen en schachten om steenkoolwinning mogelijk te maken. In Zuid-Limburg ontstond al vroeg steenkoolwinning: bij de abdij te Rolduc (Kerkrade) wonnen monniken tijdens de Middeleeuwen steenkool. Verschillende particuliere ondernemers, vaak Duitsers, Belgen of Fransen, zagen mogelijkheden om in Limburg met name vanwege financiële motieven steenkoolwinning te beginnen. Na een moeizame start ontstonden verschillende mijnbedrijven. Later kreeg de Nederlandse overheid oog voor het nut van steenkoolwinning. Verschillende Staatsmijnen werden toentertijd opgericht. Zuid-Limburg bloeide economisch op en grote werkgelegenheid ontstond in het overwegend agrarische zuiden. 'Van groen naar zwart', zo kenmerkte zich de verandering van het overwegend groene Zuid-Limburgse landschap in een door rook, fabrieken en torens gedomineerde streek. Sommige dichters en schrijvers vonden die industrialisatie maar niets: de romantiek en schoonheid van Zuid-Limburg dreigde verloren te gaan. Driehonderdachtenvijftig miljoen jaar geleden werd de basis gelegd voor de steenkoolwinning te Limburg.

Ontstaan: het Carboon

De aarde is ongeveer 4.6 miljard jaar oud. Wat geologie betreft komen in Zuid-Limburg twee perioden of tijdsvakken aan het aardoppervlak: Carboon en Krijt. Door het afsterven van en de opeenstapeling van varens en (primitieve) bomen ontstond steenkool. Door de grote druk onder de grond werden plantenresten samengeperst tot compacte steenkoollagen: steenkool is samengedrukt Carboonmateriaal. Ook overstromingen zorgden voor het afsterven van plantenmateriaal. Het Carboontijdperk duurde van 358,9 ± 0,4 tot 298,9 ± 0,2 miljoen jaar geleden en wordt gekenmerkt door het ontstaan van uitgesterkte moerassen en regenwouden. Tijdens het Westfalien A, ongeveer 315 tot 310 miljoen jaar geleden, waren de latere mijngebieden met prehistorische regenwouden en moerassen bedekt. In 1892 introduceerden de Franse stratigrafen Albert de Lapparent en Ernest Munier-Chalmas het Westfalien als (sub)etage van het Carboon (Laat-Carboon). De etage kent haar basis bij het voorkomen van een specifieke soort Ammoniet, een soort inktvis. Het Westfalien wordt onderverdeeld in vier subetages: Westfalien D, C (Bolsovien), B (Duckmantien) en A (Langsettien).

Tijdens het Carboon was Zuid-Limburg één grote jungle waarin talloze dieren leefden. Limburg lag destijds rond de evenaar door platentectoniek. Die jungle bestond uit Wolfsklauwen (schubbomen) en paardenstaarten. De reuzenpaardenstaart Calamites werd 15 meter hoog en had verschillende segmenten. Zoogdieren bestonden nog niet. Dinosauriërs ontstonden pas veel later, tijdens het Trias. In de regenwouden van Zuid-Limburg liepen spinachtigen, primitieve insecten en vlogen reusachtige libellen door de lucht. Door de gunstige klimaatomstandigheden floreerden planten. Die planten pompten veel zuurstof in de lucht: daardoor konden insecten en andere ongewervelden erg groot worden. De zuurstofgraad in het Carboon was veel hoger dan tegenwoordig: ongeveer 35% ten opzichte van de huidige 21%. Een van de grootste insecten was Meganeura (Meganeura monyi). Een geslacht van reuzenlibellen met een spanwijdte van 70 centimeter. Op de grond leefde Arthropleura, een reuzenduizendpoot met een lengte van 1.5 tot 2 meter. Andere ongewervelden zoals zeeschorpioenen maakten de zeeën onveilig. Tijdens het Devoontijdperk waren amfibieën, vissen en visachtigen het land opgekropen. Vinnen evolueerden in poten. Tijdens het Carboon leefden in moerassen verschillende amfibieachtigen. Ook in Zuid-Limburg kwamen die voor. Tijdens het Carboon begon een verwante groep, de reptielen, aan verovering van het land. In ondiepe meren en zeeën zwommen verschillende inktvisachtigen zoals de Goniatieten, een aan de Ammonieten verwante groep. Die inktvissen hadden een ronde schelp met verschillende kamers. Door een klein kanaal konden zij lucht en gas persen om te stijgen en te dalen in het water. In ondiepe meren nabij de miljoenen jaren later aanwezige mijnzetels leefden tevens verschillende schelpdieren zoals Carbonicola, een soort zoutwatermossel.

Het Carboon in Zuid-Limburg. Ongeveer 300 miljoen jaar geleden. Tekening: auteur.

Fossielen

In de gangen van de Limburgse mijnen werden af en toe resten van genoemde organismen ontdekt door mijnwerkers. Fossielen zijn de versteende resten van dieren en planten. Vroeger was het Geologisch Bureau te Heerlen hét centrum voor Carboonfossielen. Internationaal bekend vanwege haar kennis en collectie. In verschillende musea zijn de Limburgse mijnsteenfossielen te bewonderen: onder andere in het Natuurhistorisch Museum Maastricht (NHMM) en in het kleine Mijnmuseum te Heerlen. Soms ontdekten mijnwerkers bijzondere dieren zoals de vleugels van een prehistorische libelle. Indien dat gebeurde werd het fossiel naar de vinder vernoemd. Niet alleen dieren, maar ook plantenfossielen, zoals afdrukken van Calamites (paardenstaart), Lepidodendron (schubbomen of wolfsklauwen), Sigillaria (schubbomen of wolfsklauwen), Stigmaria (worteldelen) en varens zoals Neuropteris zijn in grote hoeveelheden door mijnwerkers gevonden. De gevonden fossielen getuigen van de enorme hoeveelheid planten en dieren die tijdens het Carboon leefden.

Carboonfossielen. Calamites (paardenstaart). Afdrukken van planten. Collectie: Het Land van Valkenburg. Foto: auteur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nadere bronnen en literatuur:

Amerom, V. (1981). Over mijnsteenstorten, steenkoolflora en fauna. Miscellanea Geologica Coriovallana. Stichting Nederlandse afgestudeerden en studenten TH Aken.

Carboniferous landscapes animation with Vue 9

Knotter, A., Langeweg, S., Nijhof, E., Peet, J., & Rutten, W. (2013). Mijnwerkers in Limburg, een sociale geschiedenis. Nijmegen: Vantilt.

Taylor, P.D., & Lewis, D.N. (2005). Fossil Invertebrates. London: Natural History Museum Publishing.

The Carboniferous Period

The Evolution of plants: a concise report of the development of the flora

Welcome to the Carboniferous

 

Thematiek en artikelen (Mijnbouw en Tweede Wereldoorlog): Ruben Krutzen,  MA Cultuurwetenschappen (Politiek en Samenleving).

Onze archieven en collecties