Leven rondom de mijnzetels

Tijdens de mijnbouwperiode woonden tientallen mijnwerkersgezinnen rondom mijnzetels. Aan het begin en in het midden van de 20ste eeuw, ongeveer tussen 1900 en 1950, had de katholieke kerk nog veel aanzien. De relatief kleine dorpen in Zuid-Limburg hadden vaak een hecht verenigingsleven dat door de kerk ondersteund werd. Soms wordt gesteld dat mijn en kerk samenwerkten: de mijn zorgde voor werk, de kerk voor zingeving. In sommige opzichten is het juist om te spreken van zekere disciplineringstechnieken waarbij de bevolking door een elite (politiek-economisch en religieus) beheerst en gecontroleerd werd. Toch boden kerk en werk zekerheden en ritme in het dagelijks leven van mensen. Een strikte scheiding bestond tussen mannen en vrouwen: mannen werkten op of in de mijn en vrouwen werkten thuis, waren verantwoordelijk voor de kinderen. Mijnarbeid was een hard en zwaar bestaan, niet alleen voor de mannen die ondergronds gingen, maar ook voor hun vrouwen die dagelijks te maken kregen met berichten over mijnongelukken.

Ondergrondse mijnarbeid was zwaar, gevaarlijk en ongezond. Veel mijnwerkers zijn tijdens het uitvoeren van werkzaamheden om het leven gekomen. Mijnarbeid ging vaak met angst gepaard. Bedrijfspropaganda was dikwijls misleidend. Binnen mijnwerkersgezinnen bestond duidelijk onderscheid tussen rol en positie van man en vrouw. Vrouwen werkten thuis, mannen in de mijn. Thuis zwaaide ‘moeder de vrouw’ de scepter. Zij zorgde voor rust en orde. De thuissituatie bood de mijnwerker ontspanning. Ook had de mijnwerker een sociaal leven. Knotter spreekt over ‘sferen’: werksfeer, thuissfeer en sociale sfeer. De werksfeer beïnvloedde sterk de thuis- en sociale sfeer. Werkgevers wilden arbeiders aan hun bedrijf binden. Daartoe werden onder meer allerlei voorzieningen in het leven geroepen. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, maatschappelijk werk en gezondheidszorg. Zelfs de bouw van kerken werd mede door mijndirecties gefinancierd.

Door mijnwerkers(gezinnen) via instanties en instellingen aan het mijnbedrijf te binden werden mijnwerkersgezinnen onderworpen aan (in)formele wetten en regels. Controlemechanismen moesten voor orde zorgen. Zo controleerden woninginspectrices het huishouden van mijnwerkersgezinnen in de mijnwerkerskoloniën. Ook de mijnpolitie, ‘een staat binnen de staat’, observeerde en registreerde doen en laten van mijnwerkers en hun gezinnen. Uiteraard oefende de katholieke geestelijkheid grote invloed uit op het gedrag van mensen, bijvoorbeeld inzake seksuele omgang. Clerici probeerden mijnwerkers(gezinnen) moreel in het gareel te houden. Zij moesten vooral gehoorzamen. Kerk en mijn organiseerden ook sociale, sportieve, culturele activiteiten voor mijnwerkersgezinnen. Er bestond een innig verbond tussen kerk en mijndirectie. Het Rijke Roomse leven drukte een belangrijk stempel op het leven van mijnwerkers. Socialisten werden door de kerkleiding gevreesd omdat ze ‘ongelovig’ waren en een bedreiging vormden voor het katholieke geloofsgoed en de Limburgse identiteit. Opstanden en revoluties moesten voorkomen worden. Angst voor het socialisme verenigde werk en kerk. Katholieke mijnwerkers moesten worden afgeschermd van vreemde invloeden. Zij mochten geen lid worden van socialistische, communistische of andere atheïstische organisaties zoals de Nieuw-Malthusiaanse Bond die naar geboortebeperking streefde. Priesters bezochten mijnwerkersgezinnen, vooral ter controle van de voortplantingsplicht.

Het mijnwezen was hiërarchisch georganiseerd, gelijkend op een legerorganisatie. (Hoofd)ingenieurs stonden aan de top, daaronder kwamen de beambten. Hoofdopzichters oefenden toezicht uit op de werkzaamheden van mijnarbeiders. Ook hier speelden allerlei controlemechanismen. Niet of minder hard werken werd onmiddellijk aan leidinggevenden gerapporteerd. De Ondergrondse Mijnwerkers Vakschool (OVS), een opleidingsinstituut voor toekomstige ondergrondse mijnwerkers, hanteerde een strikte morele code. Daarin stond onder andere dat mijnwerkers ‘trouw moeten zijn aan God, ouders, leiders en het land’ en dat de mijnwerkers ‘gehoorzaam moeten zijn zonder tegen te spreken’. Trouw zijn, gehoorzaam zijn, mond houden, hard werken, daar ging het om. Soms dachten mijnwerkers dat kerk en overheid samenwerkten om hen te onderdrukken: ‘Houdt jij ze arm, dan houd ik ze dom’, zei de pastoor tegen de mijndirecteur.

Werken in de mijn was fysiek zwaar werk. 'Zwarte soldaten', zo worden mijnwerkers soms genoemd. Bron afbeelding: Rijckheyt, 328-006 Collectie foto's, dia's en prentbriefkaarten, nrs. 12501 t/m 15000, 1890 - heden. 14094. Oranje-Nassaumijn I., 20-01-1954.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nadere bronnen en literatuur:

Knotter, A., Langeweg, S., Nijhof, E., Peet, J., & Rutten, W. (2013). Mijnwerkers in Limburg, een sociale geschiedenis. Nijmegen: Vantilt.

Kreukels, L. (1986). Mijnarbeid: volgzaamheid en strijdbaarheid. Van Gorcum Maastricht.

Krutzen, R. (2016). Mijnindustrialisatie en kolonisering. UM.

Wolf, R. (2009). Tussen Delft en Nijmegen. De Ondergrondse Vakscholen van de Staatsmijnen. Land van Herle, 3-4, 2009.

Onze archieven en collecties