Wenckebach, H.J.E. (mijndirecteur)

Mijndirecteur H.J.E. Wenckebach, 27 juni 1861 - 21 februari 1924

Henri Johan Eduard Wenckebach werd op 27 juni 1861 te ‘s-Gravenhage geboren. Hij volg­de de opleiding tot genie-in­ge­­nieur aan de Koninklijke Militaire Akademie (K.M.A.) te Breda. Tij­dens deze studie trok hij de aan­dacht van zijn leraar ir. J.L. Cluy­se­naer. Deze maakte carrière bij de spoorwegbouw in Nederland en Nederlands-Indië en werd in 1889 directeur-generaal van de Maatschappij tot Ex­ploitatie van de Staatsspoorwegen. Hij herin­ner­de zich toen zijn oud-leerling en nam hem in dienst als inge­­nieur, be­last met het onderhoud en het versterken van spoorbruggen. In 1898 werd begonnen met de aanleg van de Noord-Ooster Locaal Spoorweg. Ir. Wen­ckebach werd de directeur van deze nieuwe spoor­weg­maat­schappij.

Ir. Cluysenaer was als directeur-generaal van de Staats­spoor­­wegen nauw betrokken bij de plannen om de exploitatie van steenkolen in Zuid-Limburg te starten. De spoorwegen maak­­ten gebruik van stoomtreinen en waren daarom een gro­te afnemer van steen­kool. In deze zaken was Cluysenaer advi­seur van de minister van Verkeer en Waterstaat, ir. Lely, en moest hij hem dus ook adviseren bij het zoeken naar een ge­schikte persoon om de nieuwe Staatsmijnen te gaan leiden. Zo werd ir. Wenckebach in mei 1902 directeur-generaal van de Staatsmijnen. Hij was gekozen wegens zijn organisatorische kwa­liteiten, niet vanwege zijn kennis over mijnbouw. Hij was geen mijnbouwkundig inge­nieur. Het hele kader van de mijn van hoog tot laag, dus van directieleden tot mijnwerkers, moest nog worden opgebouwd. Bij de komst van Wenckebach naar Limburg was de mijn ON I al in productie. De ON II, Laura en Willem Sophia waren in aanleg. Het hoofdbureau van de Staatsmijnen werd voorlo­pig gevestigd in Kasteel Terworm. Hetzelfde jaar verhuisde het al naar het oude stadhuis van Heerlen. In 1906 werd het nieu­we hoofdkantoor aan de Saroleastraat geopend, beter bekend als 'De Boerderij'. De naaste medewerkers van de directeur-generaal werden de mijningenieur J.C.F. Bunge en de werk­tuig­bouwkundig ingenieur R. de Kat. Hoofd administratie werd J.G. van der Mark. Er zouden eerst twee mijnen worden aangelegd: Staatsmijn A, de latere mijn Emma en Staatsmijn B, de latere mijn Wilhelmina. In 1906 werden de eerste kolen uit de Wilhelmina naar boven gehaald. In datzelfde jaar werd de mijn aangesloten op het spoorwegnet, zodat in 1907 met de verkoop en verzending kon worden gestart.

In 1907 verliet ir. Wenckebach de Staatsmijnen. In de vijf jaar dat hij directeur-generaal was geweest, had hij heel wat tot stand ge­bracht. De Staatsmijnen werden vrijgesteld van de ver­plichting voor overheidsbedrijven tot openbare aanbesteding van werken en leveranties. Tevens werd de boekhouding com­­­mercieel op­ge­zet en gecontroleerd door een particulier accoun­­tantskantoor. Het mijnreglement van 1906 leidde tot de gelijkstelling van staats- en particuliere mijnen en de invoering van een C.A.O. voor de hele mijnindustrie. Wenckebach kreeg ook toestem­ming om arbeiders- en beambtenwoningen te bou­wen tegen­over de mijn Wilhelmina. Buitenlands toezicht­hou­dend personeel werd aanvankelijk voor de opleiding naar de Bergschule in Aken gestuurd. Vanaf 1913 beschikte Heerlen over een eigen Am­bachtsschool en Mijnschool.

Wenckebachs kwaliteiten waren ook in Den Haag opge­val­len. Hij werd naar Nederlands-Indië gestuurd om een on­der­zoek in te stellen naar de situatie van de gouvernements­bedrij­ven en een organisatie op te bouwen, waarin het centraal be­heer van deze bedrijven kon worden ondergebracht. Hij wist deze taak in zeven jaar met succes te volbrengen. In 1914 vroeg hij ontslag.Hij raakte nog een keer bij de mijnen betrokken, toen hij in 1916 lid van de Mijnraad werd. Zijn volgende en tevens laatste grote opdracht werd de stichting van een hoogoven- en staal­bedrijf in Nederland. Enkele industriëlen, onder wie ir. Jan Koster uit Heerlen, wilden Nederland onafhankelijk maken van de import van buitenlands staal. Er zou dus een eigen hoog­oven- en staalbedrijf moeten komen. Volgens onderzoek, uit­ge­voerd door ir. Wenckebach, was IJmuiden daarvoor de bes­te vestigingsplaats. De brandstof voor de ovens, cokes, kon door de mijnen Emma, Maurits en Hendrik worden geleverd. Het erts zou uit het bui­tenland moeten worden aangevoerd. De grote problemen op de ijzer- en staalmarkt na de Eerste We­reld­oorlog wist ir. Wen­cke­bach met hard werken te overwinnen. De opening van de Hoogovens te IJmuiden in 1924 kon hij wegens een ernstige ziekte niet zelf verrichten. Op 21 februari van hetzelfde jaar is hij op 62-jarige leeftijd overleden. In Tree­beek, in het gedeelte dat destijds onder Heerlen viel, werd ­een straat naar hem genoemd.

Nadere bronnen en literatuur: