Thermen (Romeins Badhuis)

Op 18 juni 1940 werden vier stukken van een Romeinse zuilenschacht gevonden tijdens het omploegen van een terrein aan de Coriovallumstraat te Heerlen. Het weiland stond al sinds 1936 bekend als een hobbelige wei waaruit soms Romeinse relicten tevoorschijn kwamen. Men fluisterde ook over een Romeins gebouw in de grond. Tijdens het uitgraven ervan meende men aanvankelijk met een tempel te maken te hebben, maar eind juni was al duidelijk dat het hier ging om de fundamenten van een badcomplex.

Het badcomplex, zo zou later blijken, was rond 100 na Christus gebouwd en werd ruim 300 jaar lang gebruikt. Baden was voor de Romeinen van groot belang en welgestelde families hadden meestal zelf de beschikking over een eigen badhuis. Voor de minder welgestelden was er het openbare badhuis, waar lage entreeprijzen door de captuarius (kassier) werden geïnd.

Rechten: DSM, Heerlen. Het badhuis was in eerste instantie waarschijnlijk voor soldaten bedoeld, maar ook burgers maakten er gebruik van. Zowel mannen als vrouwen gingen naar het badhuis, maar het is onwaarschijnlijk dat mannen en vrouwen tegelijkertijd gebruik maakten van de thermen.De thermen kenden ook een eetgelegenheid en enkele winkels waardoor naar de thermen gaan een sociale gebeurtenis was. Er zijn tijdens de opgravingen olie- en parfumflesjes, manicuresets, waterbekkens, schalen en schraapijzers (strigiles) gevonden. Bewijzen dat een bezoek aan de thermen meer was dan alleen maar schoonspoelen. Volgens Romeinse geneesheren was het badderen goed voor de gezondheid, zeker in combinatie met de zalven en oliën. Een verblijf in de thermen stond gelijk aan een uitgebreide lichaamsverzorging.

De kleedruimte van het badgebouw heette het apodyterium en lag uiteraard bij de ingang. Hierachter lag het frigidarium, het koudwaterbad, gevolgd door het lauwwaterbad. Dit tepidarium was vooral een ruimte om te rusten en je te laten masseren. Het vertrek werd geflankeerd door het sudatorium, de zweetruimte, en het heetwaterbad ofwel caldarium. Buiten waren bovendien nog een openluchtbad (natatio) en een sportruimte (palaestra) te vinden. Het water dat gebruikt werd in de thermen werd aangevoerd door de Caumerbeek en afgevoerd via de Geleenbeek. Het gebouw werd verwarmd door middel van vloer- en wandverwarming (hypocaustum). De vloertegels rustten daarbij niet op de grond, maar op stapels stenen. De holle ruimte kon vanuit een stookplaats worden verwarmd met hete lucht. Holle buizen (tubuli), ingemetseld in de muur, vormden op dezelfde manier de wandverwarming. Na de opgraving, die in 1941 werd afgerond, werden de restanten met zilverzand bedenkt totdat er in 1975 een museum over de opgraving heen gebouwd werd.

Nadere bronnen en literatuur.

Tags

Plaatsen