Sijstermans, Joseph (zakenman)

Zakenman, 21 september 1855 - 22 augustus 1935

Joseph Sijstermans werd op 21 september 1855 te Heerler­heide geboren als zoon van Balthasar Sijstermans en Sybilla Clara Stassen. Zijn vader was eigenaar van het goed Carisborg. Joseph volgde de lagere school in Heerlerheide. De onder­wijzer Jacobus Ever­hardus Durlinger deed zijn best om de kinderen zoveel mogelijk te leren. Joseph had graag aardrijkskunde. Jaren later dacht hij nog met plezier terug aan de lessen in dit vak van meester Durlinger. Zijn gedegen kennis van de aardrijkskunde kwam Joseph bij zijn vele reizen door Europa goed van pas. Zijn eerste communie deed hij in de St. Corneliuskerk te Heerlerheide in 1866. Korte tijd later verliet hij de school en volgde hij voortaan de lessen op de openbare school van meester J.J. Eyck in Heerlen. In hetzelfde jaar 1866 stierf zijn moeder. In 1870 verliet Joseph de school in Heerlen. Hij moest meehelpen op de boerderij van zijn vader.

Hij bleef niet lang op de boerderij. In mei 1871 ver­trok hij naar Luik. Zijn tante Mina had namelijk gehoord, dat haar neef Albert Horstmans in zijn kaardenfabriek iemand zocht om als vertegenwoordiger in het buitenland op te treden. Kaarden waren leren riemen, dicht bezet met metalen draadjes en draden om de grondstoffen voor wol en katoen uit elkaar te kammen, waarna deze stoffen tot draden werden verwerkt. Er werden ook leren riemen in de eigen fabriek gemaakt. Tante Mina liet haar neefje Joseph naar Luik komen om met Albert Horst­mans kennis te maken. Zijn broer, die seminarist in Luik was, vergezelde hem. Hij werd aangenomen als vertegen­woor­diger buitenland en zou dus veel gaan reizen. Voor zijn reizen werd hij bijgeschoold in Frans, Duits en Italiaans. Tevens verdiep­te hij zich in de gang van zaken van de fabriek en de ad­ministratie. Tenslotte nam hij nog les­sen in kalligrafie, tekenen en gym­nastiek. In maart 1873 volg­de hij sa­men met Albert Horst­mans lessen Spaans. Na de eerste vier lessen werd Joseph gevraagd op reis door Europa te gaan. Zijn eerste reis werd een hele be­le­venis. Op 17 maart 1873 vertrok hij, 17½ jaar oud, naar Parijs. Na een kort oponthoud reisde hij met de trein door naar Marseille. In die tijd beschikten de treinen nog niet over toiletten. In de coupé zat een reiziger tegenover hem, die geweldige last van buikpijn kreeg. Op een gegeven moment kon hij het niet meer uithouden, sprong hij op, draai­de het raam open, zei: "Excusez moi" en duwde zijn achter­werk naar buiten. Vanuit Marseille ging de reis verder per boot naar Barcelona. Tijdens deze bootreis leerde hij hoe je een keus moest maken. In de hut die hij met een Duitser deel­de, stond een stapelbed. Joseph koos het onderste bed en leg­de zijn kleren op een stoel voor het bed. Dezelfde nacht werd de Duitser zeeziek met het bekende gevolg. Hij reisde nu zes we­ken door Spanje. Op veel plaatsen kon hij bestellingen opne­men en klanten bezoeken. Vervolgens zet­te hij zijn reis voort in Por­tugal. Eind september was hij weer thuis bij zijn vader in Heer­­lerheide. Enkele dagen later keerde hij terug naar Luik om verslag uit te brengen.

Hij werkte nu een tijd op het kantoor en in de fabriek en hield zich bezig met het verzamelen van nieuwe opdrachten. In no­vem­ber 1873 begon hij aan een volgende reis, die tot sep­tem­­ber 1874 zou duren. Hij reisde via Parijs naar Turijn in Ita­lië. In de buurt van deze stad, met name in Biella, lagen vele fa­brie­ken. Er bestond een geweldige concurrentie en het was moeilijk hier opdrachten te verwerven. Via Milaan ging de reis verder naar Bergamo en Gandino. Hier zag hij voor het eerst bruin­kolen. In deze maanden bezocht hij ook nog Venetië, Ro­me en Napels. Vanaf maart 1874 maakte hij weer een reis van zes maanden door Spanje. Na terugkeer in Luik werd een reis­sche­ma voor de komende negen jaar vastgesteld. In maart en april ging hij naar Italië, in mei en juni naar Portugal en in juli en augus­tus naar Spanje. De volgende vijf jaar werd zijn pro­gram­ma: van oktober tot midden november naar Zwitserland, Noord-Italië en Tirol en van januari tot juli ging de reis naar Italië, Spanje en Portugal. Van 1888 tot 1891 had hij het volgende schema: van oktober tot decem­ber naar Zwitserland, Italië en Tirol en van maart tot juni naar Span­je. Het was een zwaar program­ma. Het reizen was in die tijd niet ge­makkelijk. De herbergen in het binnenland waren vaak zeer pri­mitief en de wegen waren smal en moeilijk berijd­baar.

In 1891 keerde Joseph Sijstermans voorgoed naar Heerler­heide terug. Zijn vader had rond 1870, toen zijn drie zoons naar Luik waren vertrokken, de hoeve ‘Carisborg’ laten afbre­ken. De landerijen werden verpacht en het woonhuis was ver­bouwd tot herenhuis. Joseph was een druk leven gewend. Hij zat dus niet stil. Bij het graven van een put ­bij zijn woonhuis stoot­­te hij na enige tijd op een laag bruinkool. Dat wakkerde zijn onderne­mingsgeest weer aan. Bruin­kool was makkelijker te win­­nen dan steenkool. Toch duurde het nog even voor de ont­­ginning van de dikke laag bruinkool werkelijkheid werd. In sa­menwerking met de graaf van Amstenrade, d’ Ansembourg, en dr. E. Wint­gens kreeg hij pas op 17 november 1906 bij ko­ninklijk besluit een con­cessie voor voorlopig honderdtwintig ha., gelegen tussen de Akerstraat, Oud Einde, Terweijer en het ruime Treebeekerveld. Pas in de Eerste Wereldoorlog waren uitstel van de verstrijkings­termijn van de concessie en de steen­koolschaarste aanleiding om met de exploitatie van het bruin­koolveld Carisborg te beginnen. Sijster­mans wist als gewiekst zaken­man veel geld uit de exploitatie te halen, doordat hij de terreinen niet verkocht, maar op royaltyba­sis in exploitatierecht gaf. Aan het eind van de Eerste Wereldoor­log was de bruin­kool­winning tot vlakbij het ouderlijk huis van Sijs­termans genaderd. Het gebouwencomplex rond zijn woonhuis werd nu ver­kocht.

In 1903 werd hij president van de Centrifuge- en melkfa­briek. In die functie probeerde hij reclame te maken voor mo­der­ne werk­methoden in het boerenbedrijf. Hij ondersteunde het ker­ke­lijk zangkoor. In zijn visie moest Heerlerheide niet al­leen als parochie, maar ook bestuurlijk los komen te staan van Heerlen. Het moest het centrum van de mijnen worden, met scholen en grootwinkelbedrijven. Het is hem, en veel Heidsjers na hem, niet gelukt. Heerlen werd het centrum van de mijnen. Sijstermans voelde zich door deze situatie ontgoocheld. Met zijn nevenfunc­ties, president van de in 1896 opgerichte afdeling van de Boerenbond en lid van het kerkbestuur, kon hij zijn dag niet vullen. Zes jaar lang was hij gemeenteraadslid. In 1905 nam hij het initiatief tot de oprichting van de Woningvereniging Heerlerheide. In het dagelijks bestuur werd hij tot secretaris­penningmeester be­noemd. Een tijd later werd het besluit geno­men toe te treden tot de centrale Vereniging 'Ons Limburg' in Heerlen. De secretaris had voorlopig veel te doen. Zo moesten De Keek en Nieuw-Einde bouwrijp gemaakt worden en er werd gestart met de bouw en het regelen van de finan­ciële zaken met het rijk en de gemeente. In 1910 verkocht Sijs­ter­mans tien ha. terrein in het Treebeekerveld aan de Staatsmij­nen. Joseph Sijstermans verhuisde in 1919 naar Houthem. Hier is hij op 22 augustus 1935 op 79-jarige leeftijd overleden.

Nadere bronnen en literatuur: