Röselaers, Jan Lucas (pastoor Hoensbroek)

Pastoor, 30 mei 1857 - 9 maart 1949

Jan Lucas Röselaers werd op 30 mei 1857 in Brunssum gebo­ren als jongste zoon van de onderwijzer Jan Arnold Röselaers en Johanna Barbara Limpens. Aan het einde van hetzelfde jaar, op 23 december, stierf zijn moeder. Op 16 november 1861 over­leed zijn vader. De vierjarige Jan en zijn oudere zusje Johanna Maria Margaretha werden voorlopig in huis genomen door de ongehuwden Lucas Limpens (peet­oom van Jan) en zijn zuster Margaretha Limpens (peettante van Margaretha), die in Merkel­beek woonden. In de volgende jaren verbleef Jan bij pleegouders of voogden. Hij volgde de dorpsschool en ging vervolgens naar het kleinseminarie in Rolduc. Hij was een goed student die vele jaarprijzen behaalde. Van 1880 tot 1884 stu­deerde hij op het grootseminarie in Roermond. Op 29 maart 1884 werd hij tot priester gewijd. In de daaropvolgende tien jaar was hij achtereen­volgens kapelaan te Nieuwstad, Herken­bosch en Lutterade. In 1894 werd hij benoemd tot rector in Swartbroek bij Weert.

In 1904 verhuisde hij naar Baexem, waar hij pastoor werd. Hier bestond al vanaf 1881 een conflict tussen pastoor en bur­ge­meester. Deze onenigheid bleef onder pastoor Röselaers be­­staan, want hij was iemand die duidelijk voor zijn mening uit­kwam. In het aantekenboek van het kerkbestuur vermeldde de pas­­toor, dat hij de hand van justitie had moeten inroepen om aan een ergerlijke toestand in zijn pa­­rochie een einde te ma­ken. Er waren trouwens in meer parochies in het bisdom Roer­­­mond problemen tussen pastoor en burgemeester.

Hoens­­­broek, een mijnstad in opbouw, had een krachtige per­soon en or­ganisator als pastoor nodig. Het bisdom meende de­ze man ge­vonden te hebben in Jan Röselaers. Hij werd op 31 januari 1911 pastoor van Hoensbroek en zou 28 jaar lang deze functie blijven vervullen.  

Wat voor iemand was pastoor Röselaers? Hij beschikte over bijzondere talenten en trad nogal gauw autoritair op. Hij leefde sober. Hij rookte niet en dronk geen sterke drank. Ook in zijn Hoens­broekse periode had hij voortdurend maar één doel voor ogen: het dienen van het algemeen welzijn, maar dan wel zo­als het volgens zijn gedachten voor Hoens­broek het beste zou zijn. Zijn leven als priester stond in het teken van roeping, plichtsbesef en een stre­ven naar macht. Hij was groot van gestalte en liep kaars­recht met een blik als die van een veldheer die zijn leger overziet. Met grote schre­den liep hij door de straten met in de hand een flinke wan­del­stok met gou­den knop. Deze wan­del­stok stak hij omhoog als hij een bekende wil­de groe­ten. ‘s Win­ters droeg hij een zwarte pelsmuts. Hij zag er dan uit als een poolreiziger die weer en wind trotseerde. Hij was iemand die door zijn voorkomen eerbied en ontzag bij de mensen afdwong.

Hetzelfde gebeurde in de kerk. Als hij langs ­­­­schreed, werd iedereen stil. Wanneer hij begon te preken, luisterden de paro­chianen met ingehouden adem. Om zich heen verzamelde hij 'werkers', die hem hielpen en raad gaven. Samen met hen spon hij de draden en maakte hij de richtlijnen om zijn gedach­ten te verwezenlijken, zoals bij de samenstelling van de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen en hoe te handelen bij de verkiezing van wethouders. De bedoeling was dat het dagelijks be­stuur van Hoensbroek uit mensen zou bestaan die mijnheer pas­toor welgezind waren. De pastoor was degene die achter de scher­men aan de touwtjes trok. In zijn parochie trof hij een nieuwe kerk aan die nog niet af was. Hij deed nu iets wat nog nooit was gebeurd. Hij schreef een brief aan het gemeen­te­bestuur en vroeg een bijdrage voor de bouw van de kerk. Deze brief was zo diplomatiek geschreven, dat de gemeente niet kon weigeren.

De armen uit zijn parochie konden altijd een beroep op de pastoor doen. Hij heeft daarnaast veel mensen, die zijn hulp in­riepen bij het vinden van werk, een baan bij de staatsmijnen of elders bezorgd. Door zijn doortastende manier van optreden heeft pastoor Röselaers in Hoensbroek veel tot stand gebracht. De groei van de bevolking vroeg om uitbreiding van de ziel­zorg. Als eersten kregen de paters minderbroeders conven­tuelen in 1912 toestemming in Hoensbroek een klooster met kerk te bouwen op de plaats waar even later de wijk Mariarade ge­bouwd zou worden. Later kwamen er het rectoraat in Nieuw-Lot­broek (1920) en de parochie St. Joseph te Passart (1930) bij.

Op 5 oktober 1912 werd een volksbibliotheek opgericht. Er kwam een afdeling Hoensbroek van de R.K. Werklieden­bond. Op 29 augustus 1914 werd een avondtekenschool op­gericht. In hetzelfde jaar kwam er een cinema, evenals de volksbibliotheek gehuisvest in het oude kerkje. Op 15 oktober 1914 werd de R.K. Zang- en Toneelvereniging 'Ons Genoe­gen' opgericht. Al deze oprichtingen vonden op de pastorie plaats. 

Om in de behoefte aan nieuwe woningen te voorzien, werd op 15 maart 1912 de Woningvereniging Hoensbroek op­ge­richt. De pastoor schreef zelf de statuten voor de nieuwe vere­niging. Na enkele jaren ging de woningvereniging als eerste deel uitma­ken van het overkoepelende orgaan 'Ons Limburg'. Ook het rooms-katholiek onderwijs had de bijzondere aan­dacht van de pastoor. Hij was direct betrokken bij de stichting van heel wat scholen in Hoensbroek, zoals in oktober 1929 de Muziekschool Hoensbroek en omstreken.

De grootste verdienste van de pastoor was het behoud van Kasteel Hoensbroek. Het in verval geraakte kasteel dreigde in 1921 in een openbare verkoop te worden verkocht. Een stich­ting die het monument zou kunnen kopen en in stand houden, bestond in Hoensbroek niet. De pastoor ging aan het werk en wist in 1927 de Vereniging 'Ave Rex Christe' op te richten. Deze vereniging kocht het kasteel met de bijbehorende gron­den. Pastoor Röselaers peuterde in de volgende jaren bij de overheid en elders subsidies los. Met deze gelden werd het kas­teel in de jaren dertig grondig gerestaureerd.

De pastoor was door zijn onvermoeibare inzet voor zijn parochie en voor Hoensbroek zeer populair geworden. Zijn vijftig­jarig priesterfeest in 1934 en het vijfentwintigjarig jubileum als pas­toor van Hoens­broek in 1936 werden met een groot feest gevierd. In 1939 nam hij afscheid. Hij vestigde zich voor korte tijd op het kasteel, maar verhuisde later naar Mien Heim in Valken­burg. Hier heeft hij nog op 29 maart 1944 zijn zestig­jarig priester­feest en op 30 mei 1947 zijn negentigste verjaar­dag kunnen vieren. Op 9 maart 1949 is hij op eenennegen­tig­jarige leeftijd overleden.

Nadere bronnen en literatuur: