Penners, Dionysius (pastoor Heerlen)

Pastoor, 10 juli 1755 - 28 juni 1836

Dionysius Penners werd op 10 juli 1755 in Heerlen geboren als zoon van Gerardus Penners en Maria Gertrudis Schils. De families Penners en Schils waren al eeuwen in Heerlen woon­ach­tig. Dionysius leerde Nederlands op de lagere school in Heer­len. Op de scholen van Rolduc en Aken leerde hij Latijn, Frans en Duits. Deze vier talen kon hij goed schrijven en spre­ken. Zijn pries­ter­opleiding kreeg hij aan het seminarie te Roer­mond. Op 23 de­cem­ber 1780 werd hij tot priester ge­wijd. In hetzelfde jaar nog volgde de benoeming tot kapelaan aan de St. Panratius­parochie te Heerlen. Pastoor Morees van deze pa­rochie suk­kel­de met zijn gezondheid. Hij had daarom naast kapelaan Penners nog Martinus Pluijmakers uit Voeren­daal als assistent aangesteld. Penners probeerde in 1783 pas­toor van Vlodrop te worden. Hij kreeg hier­voor een goed ge­tuigschrift van zijn pastoor, maar werd niet be­noemd. Voortaan had hij de ambitie om pastoor Morees in Heerlen op te volgen. Assistent Pluijmakers streefde hetzelfde doel na en er onstond een ster­ke rivaliteit tussen beide kandidaten. Op 27 juni 1791 wist Pluij­makers een gunstig testi­monium van de pastoor te verkrij­gen, waarin deze verklaarde hem graag als zijn opvolger te zien. Een maand later wist Penners eenzelfde getuigschrift van de pastoor te verkrijgen. In het jaar 1792 was de pastoor nauwelijks meer tot werken in staat. Pluijmakers was al maan­den bezig zoveel mogelijk steun voor zijn kandidatuur te verza­melen. Hij kreeg een getuigenis van de pas­toor van Voeren­daal. De kerkenraad van de Hervormde Ge­meen­te Heerlen sprak zich ook uit voor de benoe­ming van Pluijmakers tot pas­toor van Heerlen. Daar­naast nam hij contact op met de familie van de pastoor, omdat deze bij het voordragen van de opvol­ger rechten kon doen gelden. Penners wendde zich tot een bevriende kanunnik en ver­zocht hem bij de bisschop zijn in­vloed aan te wenden, zodat hij met de deservitura, dat wil zeg­gen de voorlopige zorg voor de parochie, zou worden belast. Hij wachtte vervolgens in ver­trouwen de beslissing van de bis­schop af.

Op 2 augustus 1792 stierf pastoor Morees. Assistent Pluij­­ma­kers werd door het bisdom tot deservitor benoemd. De pro­ce­dure voor de benoeming van de nieuwe pastoor ging nu van start. Er waren drie kandidaten: Penners, Pluijmakers en J.A. Hennes. De laatste had als buitenstaander geen enkele re­latie met de parochie. De Raad van State moest nu een keus ma­ken uit deze drie voor hem onbekende priesters. Een rent­meester van Maastricht, Van Panhuys, iemand die vertrouwd was met de streek, kreeg de opdracht advies te geven. De ba­lans sloeg spoedig door ten gunste van Penners. Waarschijnlijk had Van Panhuys contacten met leden van de familie Penners, die tot de notabelen van Heerlen behoor­den. Al de reclame (inclusief de handtekeningenlijsten) die Pluijma­kers voor zichzelf gemaakt had, wekte argwaan bij de rentmeester. Pluijma­kers was bovendien pas begonnen met steun voor zijn kan­di­­datuur te verwerven nadat de pastoor reeds zijn voorkeur voor Pen­ners had kenbaar gemaakt. De Raad van State besloot op ad­vies van Van Panhuys kapelaan Penners tot pastoor van Heer­len te benoe­men. De officiële presentatie aan de parochie vond plaats op 1 september 1792 door deken Driessens.

Pluijmakers wenste zich niet bij de situatie neer te leggen. Hij beschouwde zich als pastoor, omdat hij tot derservitor was aangesteld en volgens de gebruiken van het Land van Valken­burg zou deze waarneming tot 24 juni 1793 voortduren. Bo­ven­dien wist hij een belangrijk deel van de parochianen voor zich te winnen en tevens een aanstelling als kapelaan te verkrij­gen. Tevens zou hij op de pastorie blijven wonen. De gespan­nen verhouding bleef dus bestaan. Penners deed een beroep op het bisdom om aan de onwerkbare situatie een einde te maken. Pluijmakers kreeg de opdracht aan de pastoor de nodi­ge gehoor­zaamheid te betuigen. Hij beriep zich echter op de rechten van een deservitor in het Land van Valkenburg. De uitgestrekte paro­chie Heerlen leverde hem namelijk als deser­vitor veel inkomsten op. Penners moest zich erbij neerleggen dat Pluijmakers als kape­laan bij hem zou blijven werken. Tot 24 juni 1793 bleef deze zich als de eigenlijke pastoor beschou­wen. Dit leverde de nodige con­flicten op bij de werkverdeling tus­sen Penners en Pluijmakers. Een door het bisdom benoemde be­middelingscommissie van twee pastoors bracht ook geen op­los­sing. Het enige voor Pen­ners gunstige resultaat was dat Pluij­makers de pastorie verliet en elders ging wonen.

Er zouden spoedig nog problemen bijkomen. Kort na de be­noeming van Penners tot pastoor van Heerlen trokken de Fran­se republikeinse legers ons land binnen en voortaan maak­ten de Fran­­sen hier de dienst uit. In 1797 werd van de geeste­lijk­heid een loyali­teitsverklaring verlangd. Deze verklaring moest worden afgelegd voor de municipale (gemeentelijke) autoritei­ten. Bij wei­ge­­ring kreeg men geen vergunning om als geestelij­ke binnen de gemeente te werken. Voor Penners waren de vertegenwoordi­gers van het Franse bewind het wettige gezag. Met de verlangde verklaring werd niets opgelegd, wat strijdig was met het geweten. De vrijheid van de kerk werd geëerbie­digd en bij de uitvoering van de wetten en voorschriften werd geen gewetensdwang uitge­oefend. Penners zag daarom geen re­den om te weigeren de loya­li­teits­verklaring te tekenen. Ka­pelaan Pluijmakers daarentegen weigerde deze verklaring te te­kenen en hij ging tegen de pastoor stemming maken wegens zijn weinig principiële houding. Het gevolg hiervan was, dat pas­­toor Penners zich in verschillende preken tegenover zijn pa­rochianen moest verdedigen. In hetzelf­de jaar (1797) werd van de geestelijkheid gevraagd een eed te zweren van haat tegen het koningschap en van trouw aan de republiek en haar grond­wet. Voortaan zouden er beë­dig­de en onbeëdigde pries­ters ko­men. Penners was be­reid de­­ze eed af te leggen, nadat enkele collega-pastoors het­zelf­de gedaan hadden.

Kape­laan Pluijma­kers wei­ger­­de en was gedwongen uit Heer­­len te vluch­ten. Penners was nu ein­de­lijk van zijn kwel­geest ver­lost. In de parochie gold hij wel als een afvallige, maar nadat hij in een aantal preken zijn stand­punt had ver­de­digd, konden de mensen begrip voor hem opbrengen. Zijn feestpreek bij het patroonsfeest van de pa­rochie op 12 mei 1800 werd met instem­ming ontvangen.

In 1803 werd ten gevolge van het concordaat tussen Na­po­­le­on en de kerk in het nieu­we bis­dom Luik een reorganisatie van het parochiewezen doorge­voerd. Pas­toor Penners werd niet herbenoemd. De nieuwe bisschop J.E. Zaepffel vond hem een te omstreden figuur. Penners wilde zich hier niet bij neer­leg­gen en stelde alles in het werk om de benoeming van zijn op­volger te laten herroepen. Hij verspeelde hiermee wel een be­noeming elders. Uit protest bleef hij in de Heerlense pas­to­rie wonen, omdat deze woning hem, naar zijn zeggen, voor het le­ven was toegekend. Daarnaast voerde hij aan dat hij veel aan het huis had opgeknapt. In 1806 werd hij benoemd tot pastoor van Schin op Geul. Hier was hij van begin af aan niet welkom. Zijn voorganger was in 1805 wegens verzet te­gen het concor­daat door de bisschop afgezet. Penners werd door een groot deel van de parochianen als een indringer be­­­­­schouwd. In 1807 zag hij zich daarom genoodzaakt ontslag te nemen.

Hij leefde voortaan in Heerlen onder armoedige omstan­dig­heden zonder vast inkomen. Zijn verzoeken om een tege­moet­koming in zijn benarde financiële situatie werden lange tijd niet ingewilligd. Pas in 1817 werd hem een jaarlijks pensioen van 110 gulden toegekend. Penners slaagde er niet meer in el­ders een benoeming tot pastoor te verwerven. Op 28 juni 1836 is hij op 80-jarige leeftijd in Heerlen overleden.

In het archief van de St. Pancratiusparochie is zijn dagboek te vinden, waarin hij onder meer melding maakt van de intocht van de Fransen in Heerlen en waaruit een van zijn hobby’s blijkt: het maken van chronogrammen.

Nadere bronnen en literatuur:

Tags

Plaatsen

Tijdsperiodes

Beroepen