Papierindustrie

Onderste Molen Mechelen.In Zuid-Limburg werd te Mechelen de Onderste Molen, aanvankelijk een graanmolen, tot papiermolen verbouwd. Deze molen groeide in de negentiende eeuw uit tot een heuse papierindustrie dat werk bood aan enkele tientallen mensen. Rond 1860 werkten er ongeveer 50 mannen, vrouwen en kinderen. De papiermolen en de bijbehorende woning werden in 1874 door brand volledig verwoest. Het duurde tot 1876 voordat er een nieuwe molen werd gebouwd en de papierproductie weer ter hand werd genomen. Maar van een echt opbloei was geen sprake meer. Bij de papierproductie werden enorme hoeveelheden water gebruikt om het papier onder andere schoon en wit te maken. De Geul was echter door de zink- en loodertsmijnen te Bleyberg ernstig vervuild. De fabricage van wit papier bleek al snel onmogelijk. Enkel grijs en bruin papier bleken nog gemaakt te kunnen worden. Wellicht ging mede hierdoor de firma, die de molen en papierindustrie in beheer, had failliet.

De eerste papiermolen in Nederland werd gevestigd te Gennep in 1428. Pas in de zestiende eeuw en later werden er op meer plaatsen in Nederland papiermolens gebouwd. Er werd in de meeste molens handgeschept wit schrijf- en drukpapier gemaakt, maar ook grauw en zwaar pakpapier. Vrijwel alle molens maakten gebruik van waterkracht en stoom. 

Het procédé

Papier werd tot het eind van de negentiende eeuw gemaakt van lompen, oud touw en zeildoek. Tegenwoordig wordt het van het veel goedkopere houtvezel gemaakt, maar dat levert ook papier op van een veel mindere kwaliteit, vooral wanneer het gaat om houdbaarheid en stevigheid.

Lompen werden in de molen op soort en kleur gesorteerd. Van linnen werd schrijfpapier gemaakt, van katoen werd pakpapier gemaakt. Na de sortering werden de lompen in repen gescheurd. De stevige lompen en touw werden met de hand fijn gekapt. Daarna werden alle repen tot vezels gemalen. Dat gebeurde in een aantal stappen: Eerst werd het gemalen in de hamerbak, een trogvormige houten bak met ronde zijkanten. Zware eikenhouten hamers waarop metalen strippen gemonteerd zaten, werden opgelicht en vielen met een harde klap regelmatig in de bak. Tijdens dat malen werden de vezels ook gewassen, stromend water werd toegevoegd aan de hamerbak. Het water verliet de hamerbak door een filter. De vezels waren schoon zodra het weglopende water helder was. Wat in de hamerbak overbleef was een pulpmengsel van natte vezels dat ook wel papierstof werd genoemd. Deze pulp werd geroerd en daarna werden de vezels uit het water geschept met een schepvorm. Deze schepvorm was eigenlijk een zeef, een eikenhouten raam met dwarshoutjes waarover zeer dunne koperdraadjes liepen. Op dit rasterwerk van draadjes bleef een fijne laag papierstof liggen. Het papier dat hiermee gemaakt werd is zeer herkenbaar; de koperdraadjes zijn als een netwerk zichtbaar in het geschepte papier. In de meer moderne papiermolens werd de pulp in een papiermachine gebracht waaruit de vellen papier automatisch werden gezeefd. Dit laatste leverde overigens enkel pakpapier op. Nadat het geschepte papier was uitgelekt en licht gedroogd, werden de vellen gestapeld met circa 100 stuks op een vilten lap. De vellen werden een eerste maal geperst in een schroefpers. Nadat het meeste water uit het papier was geperst, werden alle vellen één voor één tussen twee lappen droog vilt gelegd en werden ze nog een tweede keer geperst. Hierna werden de vellen te drogen gehangen op de zolder. De droogzolder van een papiermolen had speciale luiken waarmee de ventilatie te regelen was. Als het papier droog was, volgden nog enkele nabewerkingen zoals lijmen (nodig voor het beschrijfbaar maken van papier), sorteren, snijden, vouwen en verpakken.

Nadere bronnen en literatuur: