Onderste Molen (Mechelen)

Bron: Limburgs Erfgoed, http://www.limburgserfgoed.nl/colofon In het dorp Mechelen ligt aan de Geul een watermolen, die Onderste Molen wordt genoemd om een verschil te maken met de watermolen tussen Epen en Mechelen, meer stroomopwaarts die de Bovenste Molen genoemd wordt. De onderste molen wordt ook wel de Commandeursmolen genoemd.

De molen kent een aantal oude delen die teruggaan tot in de Middeleeuwen, maar daarvan is aan de dorpszijde weinig meer te zien door het groot aantal willekeurige uitbreidingen in de loop der eeuwen. De naam Commandeursmolen heeft een nadere uitleg nodig. In de late middeleeuwen kende de heerlijkheid Wittem,dat een staat op zich was, binnen haar grenzen nog een soort ministraathe, de Malthezer Commanderij. Deze kloosterorde was aanvankelijk gericht op het verzorgen van zieken en verarmde pelgrims. In 1215 werd de watermolen geschonken aan de commanderij en naar haar leider, commandeur, werd de molen commandeursmolen genoemd.

In 1816 werd de Duitse papierfabrikant Carl Joseph Hollmann, woonachtig te Gulpen, eigenaar van de molen. Hij zou later ook de Bovenste molen te Mechelen in bezit krijgen. De graanmolen moet toen op de linkeroever van de Geul gelegen hebben, met een gevel van mergelsteen. Hollmann liet aan de rechteroever een papiermolen bijbouwen. Het zou de investering niet echt waard blijken, aangezien in een paar decennia de molen van hand tot hand ging. Rond 1840 moet de graanmolen in onbruik zijn geraakt en werd er alleen nog maar gewerkt en geïnvesteerd in de papiermolen. In 1848 werden beide molens verbouwd of herbouwd, waarna vooral de papierindustrie ging floreren. Rond 1860 werkten er ongeveer 50 mannen, vrouwen en kinderen.

Helaas werd de papiermolen en de bijbehorende woning in 1874 door brand volledig verwoest en de productie stortte ineen totdat er een nieuw gebouw herrees in 1876. Het huidige bakstenen molengebouw moet toen zijn gebouwd. Helaas bleek het onmogelijk om nog wit papier te maken omdat de Geul door de zink- en loodertsmijnen te Bleyberg ernstig vervuild was. Enkel de fabricage van grijs en bruin papier was nog mogelijk. Wellicht ging mede hierdoor de firma, die de molen en papierindustrie in beheer had, failliet.

Na de openbare verkoop werd de, door de graanhandelaar Joseph Schyns, aangekochte papiermolen omgebouwd tot korenmolen en het oude korenmolengebouw werd ingericht als woning en koffiehuis. Deze molen zou, met enkele moderniseringen zoals het plaatsen van een turbine, in gebruik blijven tot na de Tweede Wereldoorlog. Hierna liep het gebruik terug, maar helemaal in onbruik raakte de molen niet. Bij de toename van de vraag naar ambachtelijk gemalen tarwe en bakroggemeel in de zeventiger jaren werd de molen weer volledig in gebruik genomen en is dat tot op de dag van vandaag.

Nadere bronnen en literatuur: