Mijnwerkerskoloniën

Het basisprincipe van de mijnwerkerskoloniën lag in de enorm sterke expansie van de bevolking door de mijnindustrie. Bestaande woningen en normale woningbouw kon de enorme toevloed van bewoners niet aan. Een oplossing werd gevonden in de structurele massabouw van woningen.

Koloniën zijn gebouwd vanuit diverse uiteenlopende gedachten en achtergronden. Ten eerste moesten de mijnwerkers op loopafstand wonen van de mijnzetel waar zij werkten. Er was immers een gebrek aan goed vervoer. Ten tweede moesten koloniën buiten de bebouwde kom gebouwd worden en dat had ook een aantal redenen. De grond was goedkoper omdat deze buiten een bebouwde kom lag en ze kon veelal van één eigenaar aangekocht worden waarmee grondspeculatie voorkomen kon worden. De arbeiderskoloniën waren concentraties van woningen, gebouwd langs bestaande infrastructuur waardoor het negentiende eeuwse infrastructurele netwerk grotendeels nog herkenbaar is. De koloniën kwamen door hun ligging vaak wel geïsoleerd te liggen, waardoor het aansluiten van de koloniën op waterleidingen en elektriciteit soms lang op zich liet wachten. De huizen werden aangelegd rond korte straten en hadden ruime tuinen. De ligging was vaak in de buurt van de natuur, buiten de stad en drassige gronden en heidegebieden werden gemeden. Er werd gebouwd op goede vruchtbare grond. Dit was allemaal bij elkaar opgeteld ook vanuit een ideologische en maatschappelijke overweging. De stad werd gezien als een bron van ziekte en van moreel en zedelijk verval. De schone buitenlucht zou de mijnwerker goed doen en in de ruime tuinen zou de arbeider zelf groeten en aardappelen kunnen verbouwen. De koloniën waren daarnaast ook kleinschalig. Men vreesde namelijk voor grote concentraties van arbeiders, wat alleen maar tot stakingen en opstand zou kunnen leiden. Het was vooral architect Jan Stuyt die meerdere koloniën in de mijnstreek zou ontwerpen.

Beersdal (Heerlen)

Uitgave: P.Simons, Ubach over WormsDe kolonie Beersdal kent een strak rechtlijnig stratenpatroon en is gebouwd voor het personeel van de Oranje Nassau II en III. In het centrum ligt één groot langwerpig plein en de woningen zijn of twee onder een kap of vier onder één kap, waarbij de achterzijde's tegen elkaar zijn aangeplaatst. De woningen zijn gebouwd in de Lotharingse stijl, een stijl die in Nederland alleen voorkomt in de mijnwerkerskoloniën in Limburg. Deze bouwstijl, die teruggaat op de bouwstijl uit de regio Lotharingen (Frankrijk), toont de invloed van de familie Wendel. Zij hadden zitting in de directie van de Oranje Nassau Mijnen en waren oorspronkelijk uit Lotharingen afkomstig. De gebouwen zijn decoratief gebouwd met siermetselwerk en gepleisterde geveldelen.

Butting (Hoensbroek)

Deze gepleisterde woningen worden gekarakteriseerd door de verspringende gevelpartij. Ze zijn gebouwd in de periode 1908-1910.

Uitgave: Wimo.Ganzeweide (Heerlen)

Deze kolonie was bestemd voor het hogere personeel, opzichter en hoofdopzichter van de Oranje Nassau mijn III op de Heerlerheide en werd in de periode 1914 – 1920 gebouwd naar een ontwerp van A. Lugten.

Heksenberg (Heerlen)

De woninggroep te Heksenberg werd in 1928 gebouwd naar plannen van F.W. de Rooy. De kolonie kende vijf typen woningen waarvan de verschillen in de details zaten. Karakteristiek voor de woningen in deze kolonie zijn de asymmetrische zadeldaken en betonlateien annex luifels.

Laurentiusplein (Voerendaal)

Deze kolonie, de enige te Voerendaal, werd door J. Stuyt ontworpen. De eerste woningen werden in 1913 opgeleverd en de rest in 1921. De huizen zijn verschillend van bouw door variaties in dakvormen en imitatievakwerk bij de topgevels.

Leenhof (Heerlen/Schaesberg)

Uitgave:H. te Poel Sr., HeerlenDe koloniën Leenhof I en Leenhof II, gebouwd in de periode 1905 – 1907, waren samen met Musschemig de eerste drie koloniën gebouwd door de Oranje Nassau Mijnen. Het ontwerp is sterk beïnvloed door de Duitse stedenbouw en lijken op de arbeiderswijken in Essen. Het zijn ontwerpen met rechte, brede straten met her en der verspreid een plein. De strakke indeling is sterk rationalistisch en geeft de indruk een kampement te zijn. De woningen zijn sober en zijn opgebouwd als vier woningen onder één kap. De woningen van Leenhof II hebben een karakteristiek gekleurd dakpannenpatroon. Enkele woningen in Leenhof II en het later gebouwde Leenhof III en IV te Landgraaf zijn eveneens gebouwd in Lotharingse stijl.

Klooster (Hoensbroek)

68 woningen rond het huidige Emmaplein vormden de Kloosterkolonie, het latere Mariarade. Het ontwerp was van de hand van J. Stuyt. De woningen zijn één- of tweelaags.

Maria Christina wijk (Heerlen)

Deze kolonie werd gebouwd in 1941 naar een ontwerp van de Duitse architecten K. Gonser en H.G. Oechler. De 240 woningen werden gebouwd voor kinderrijke gezinnen, Duitse mijnarbeiders die de mijnexploitatie van de Nederlanders zouden gaan overnemen. De wijk werd gebouwd vanuit het nationaal-socialistische ideaal en stond (en staat) ook bekend als de Hermann Göringkolonie. Naast woningen werden er ook partijgebouwen gebouwd en een exercitieterrein aangelegd. De wijk was pas in 1947 gereed en werd in afgeslankte vorm door Nederlands mijnpersoneel in gebruik genomen. De tweelaags woningen hebben kelders en bestaan uit enkele geschakelde woningen waarvan het hoekpand een klokgevel heeft.

Molenberg (Heerlen)

Ook de kolonie Molenberg is ontworpen door Jan Stuyt in de periode 1919-1920. In de jaren 1926-1927 werd Molenberg sterk uitgebreid met woningen naar een ontwerp van architect W. Tap. De wijk werd aangelegd met een sterk gevoel voor hiërarchie. Zo kwamen er separate woningen voor arbeiders, opzichters, hoofdopzichters, ingenieurs en directeuren. Iedere groep kreeg zijn eigen herkenbare woning die niet in uiterlijk overeenkwam, maar ook in ligging ten opzichte van de mijn. De hoogste functionarissen woonden het dichtst bij de mijn. Uierlijke verschillen in de woningen zaten hem in een afwijkende pleisterpartij, een extra raam of een grotere voortuin. Zo konden werknemers niet alleen in hun baan promotie maken of naijveren maar ook in hun directe woonomgeving.

Musschemig (Heerlen)

De koloniën Musschemig, gebouwd in de periode 1900 – 1918, maakte samen met de koloniën Leenhof I en Leenhof II onderdeel uit van de eerste drie koloniën die gebouwd werden door de Oranje Nassau Mijnen. Het ontwerp is sterk beïnvloed door Duitse stedenbouw en lijken op de arbeiderswijken in Essen. Uitgave: P. Simons, Ubach over Worms

Rennemig (Heerlen)

Deze woningen zijn eveneens gebouwd in Lotharingse stijl. De gevels van de woningen zijn gedecoreerd met gepleisterde vlakken en metselwerk. Rond de huizen staan vele karakteristieke bakstenen schuurtjes.

Slakken-Horst-Metten (Hoensbroek)

Uitgave: NCIV, HeerlenDe kolonie Slakken-Horst-Metten was de eerste kolonie van de staatsmijnen en werd door Stuyt ontworpen. Een gemetselde poort was de toegang tot het besloten complex. De opzet is intiem, kleine woningen kort opeen gegroepeerd rond pleintjes en hofjes. Er werden pomphuisjes geplaatst waaruit water gehaald kon worden. Aansluiting op het waternetwerk zou nog enige tijd op zich laten wachten. In 1922 werd de wijk uitgebreid door architect F.W. de Rooij.

Treebeek (Heerlen/Brunssum)

De kolonie Treebeek werd gebouw tussen 1911 en 1922 naar, waarschijnlijk, een stedebouwkundig plan van J.H.W. Leliman. Enkele ontwerpen zijn ook van de hand van J. Seelen. Het was een ruim opgezette kolonie rond het Treebeekplein waaraan diverse openbare voorzieningen werden gebouwd zoals winkels, scholen, de kerk en een casino. De wijk was vrij groot en bedoeld voor het personeel van de staatsmijn Emma en Hendrik. Ook hier was de indeling en het uiterlijk van de woning gebonden aan de hiërarchische positie van de bewoner.

Wingerd (Heerlen)

Deze kolonie, gebouwd in 1925, bestond oorspronkelijk uit 207 twee-aan-twee woningen met decoratief metselwerk. De hoekpanden zijn éénlaags met een plat dak. Dit complex is enige tijd geleden gerenoveerd.

Nadere bronnen en literatuur: