Leenaars, Fransje (verkeersregelaar)

Verkeersregelaar Fransje Leenaars, 9 juni 1893 - 17 augustus 1971

Kruispunt Putgraaf/Akerstraat Fransje (Franciscus Antonius) Leenaars werd op 9 juni 1893 in Am­ster­dam geboren. Op jonge leeftijd kwam hij naar de Kneipp (Rust­oord St. Joseph aan de Putgraaf). Fransje was hier een van de meest opmerkelijke en vlijtige mensen, die niet zelf­stan­dig in de maatschap­pij konden leven. Hij werd de assistent van kruidendokter broeder Aloysius. Fransje werd regelmatig op pad gestuurd om in Terworm en op de Kunderberg kruiden te verzamelen. Hij hielp de broe­ders in de eigen kruidentuin ach­ter de Kneipp (Rustoord St.-Jo­seph), op de plaats waar nu de Groene Boord ligt. De kruiden wer­den gekweekt onder su­per­visie van broeder Aloysius. Frans­je legde van elke kruiden­soort een bepaalde hoeveelheid bij elkaar. De kruidenmix werd vervolgens met een machine klein­gemaakt. Fransje be­dien­de de machine. Hij deed de krui­denmix daarna in zakjes en schreef er een nummer op, zodat broe­der Aloysius wist wat er­in zat. Sommige kruiden werden in grote zakken verpakt. Broe­der Aloysius kwam regelmatig kij­ken of het goed gebeur­de. Hij was een man van weinig woor­den. Met Fransje sprak hij al­leen via ge­baren.

Fransje had verder de zorg voor de kolen van het gasthuis. Hij ging dan naar brandstoffenhandel Van Loo om bestellingen te doen. Na levering van de kolen moest hij voor de opslag zor­gen. Hij stookte ook de ketels. Een tijdlang had hij een aap­je, ongeveer zo groot als een kat. Je moest wel uit de buurt blij­ven. Fransje lachte naar je, zei dan iets tegen het aapje en als je dan niet uitkeek, werd je door het aapje gebeten. Op een ge­ge­ven moment beet het aapje iedereen behalve Fransje. Het diertje was toen niet meer te hand­haven en werd onderge­bracht in de boomgaard bij de Franciscanen aan de Akerstraat. Na enige tijd was hij verdwenen. Alle zoekpoging­en waren tevergeefs. In de winter werd het aapje gevonden, dood­gevro­ren na vastgeraakt te zijn tussen de stutten van de appel­bomen.

Na de dood van broeder Aloysius kreeg broeder Johannes de leiding over de kruidentuin. Als de broeder, Fransje en an­de­ren in de tuin brandnetels wiedden, deden ze dat met blote handen en armen. Het deed hen niks. Broeder Johannes en de mensen van de Kneipp waren immuun voor de netel­sappen die bij ieder ander mens meteen bulten en jeuk ver­oorzaakt. Zij hadden van broeder Aloysius een kruid gekregen, waardoor het effect van de brandnetel werd geneutraliseerd. Een soort tegengif dus. De krui­den­kuur duurde acht dagen en je was gedu­rende die tijd dood­ziek. Na de dood van broeder Aloysius heeft de kruidenwinkel niet lang meer bestaan.

Fransje hield toen alleen nog de zorg voor de kolen en de ver­warming over. Als kolenhandelaar Van Loo met zijn ­auto bin­nen kwam rijden om de kolen af te leveren, keek Frans­je altijd lachend toe. Met het verdwijnen van de kolen als brand­stof in de jaren zestig kwam ook deze bezigheid te verval­len. Een tijd lang hielp Fransje bij het verstrekken van eten aan zwer­­vers. Deze mensen konden aan de Gasthuisstraat een bord eten krijgen. Fransje bracht de borden vanuit de keuken naar buiten en haalde de lege borden naderhand weer op. Hij werk­­te tevens mee in de groen­tetuin van de broeders.

Het meest bekend werd Fransje als markant figuur in het stadsbeeld, die steeds op eigen initiatief het verkeer regel­de. Na de laatste oorlog werd dat zijn grote hobby. Zijn favo­rie­te plekken waren de hoek Putgraaf/Akerstraat en de hoek Pancratius­­­­­­straat/Gast­huisstraat. Hij had een voorliefde voor bus­sen, die hij op moeilijke punten met zijn aanwijzingen hielp. Alleen rond etenstijd liet hij het verkeer zijn eigen gang gaan. Heel wat mensen hebben geamu­seerd staan kijken naar de werkzaam­heden van deze 'particuliere verkeersregelaar'. Tot aan zijn dood bleef Fransje zijn hobby beoefe­nen. De laatste maan­den deed hij het vanachter het raam van het dagverblijf van de Kneipp. Op 21 augustus 1971 meldde het Lim­burgs Dag­blad dat Fransje Leenaars op 78-jarige leeftijd was over­leden.

Nadere bronnen en literatuur: