Koster, Jan (industrieel te Heerlen)

Industrieel, 13 juni 1875 - 12 januari 1935

Hij werd op 13 juni 1875 te Amsterdam geboren als zoon van de aannemer Jacobus Koster en Anna Schwarze. Zijn familie be­­hoorde tot de Lutherse gemeente. In 1892 slaagde Jan voor het eindexamen h.b.s.-b en ging hij studeren aan de Polytech­ni­­sche school te Delft, aanvankelijk voor mijnbouwkundig inge­nieur. Na de propedeuse veranderde hij van studie en ging hij ver­der met werktuigbouw. In 1899 studeerde hij af als werk­tuig­­bouwkundig ingenieur. In 1900 kwam hij als ingenieur in dienst van de mijn Laura & Vereeniging. Hij heeft er maar kort gewerkt. Bij de aanleg van de eerste schacht kreeg hij de schuld van een water- en zanddoorbraak, waarop hij ontslag nam.

Op 26-jarige leeftijd richtte Kos­ter een eigen onderneming op: 'De Nederlandsche Maatschappij tot het verrichten van mijnbouwkundige wer­­­­ken' met als vestigingsplaats Haar­lem. De hoofdactiviteit lag in Heerlen. Het doel van de 'Mijn­bouw­kundige Werken' was het ver­richten van activiteiten op mijnbouw­kundig ge­bied in de ruimste zin. In 1902 kon Koster al aan het werk met verkenningsboringen voor de aanleg van de tweede staatsmijn. Tot de Eerste Wereldoorlog kon de onder­neming van Koster een flink aantal boringen verrichten, niet alleen voor de Staats­mijnen, maar ook voor particulieren. In 1904 richtte hij voor het onderhoud en de reparatie van de boorinstallaties een werkplaats in, gelegen aan de Esschenderweg. Na enige tijd werd hier tevens boormateriaal gemaakt. Hij kreeg hiervoor ook klanten uit het buitenland, met name uit Duitsland. In 1927 moest de werkplaats worden gesloten vanwege het snel opko­men van nieuwe boormethodes en omdat hij te weinig orders kreeg.

Met de maatschappij 'Mijnbouwkundige Werken' had Kos­ter meer succes. In Duitsland werd een dochtermaat­schappij ge­­sticht met de naam 'Aktiengesellschaft für Bergbau­liche Ar­bei­­ten'. Deze maatschappij nam met negen boorinstal­laties deel aan opsporingen in Duitsland. In Londen werd een agent­schap opgericht, waardoor ook in Engeland diepteboringen kon­­den worden gedaan. In Roe­menië was Koster betrokken bij suc­­ces­volle boringen naar olie in het district Tintea in 1906 en 1907. Hij richtte hiervoor in 1908 de 'Petroleummaatschappij Orion' op. Een tweede maatschappij kreeg de naam ' Algeme­ne Petroleum Maatschappij Sirius'. In 1911 wist hij enkele klei­ne olievelden in de Verenigde Staten te verwerven, in de staten Loui­siana en Oklahoma. Ook in Nederlands-Indië verwierf Kos­ter opsporingsvergunningen en wel op Java, Borneo en Cele­bes. Dit was zeer tegen de zin van de directeur van de Konin­klijke Nederlandse Petroleummaatschappij, die van me­ning was dat Koster zich beter alleen met de fabricage van boor­materiaal en de opleiding van boorpersoneel kon bezig­houden.

Al die tijd was Koster in Heerlen gevestigd. In het Eikender­veld liet hij voor de huisvesting van het personeel in de nabij­heid van de fabriek arbeiderswoningen bouwen. Voor zichzelf bouwde Koster een grote villa aan de Valkenburgerweg, tegen­woordig eigendom van de 'Natuurvrienden'.

Hij was ook be­trokken bij de oprichting van de afdeling Heerlen van het Rode Kruis. In 1914 wist deze organisatie er voor te zorgen, dat het St. Jozefziekenhuis van Heerlen de eerste ambulance kreeg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgde Koster met enkele an­dere autobezitters voor het vervoer van gewonden uit Bel­gië naar de ziekenhuizen van Maastricht en Heerlen. Dit ver­voer geschiedde onder de vlag van het Rode Kruis.

De Eerste Wereldoorlog bracht een verandering in het in­dus­triële patroon teweeg. Tot 1914 was steenkool de belang­rijk­ste delfstof, waarnaar boringen werden verricht. Het accent ver­schoof nu naar de aardolie. De onderneming 'Mijnbouw­kun­dige Werken' had tijdens de oorlog nog veel werk, maar na 1918 daalden de opdrachten sterk. Het zoeken naar werk in Rus­land (Bakoe) leverde niets op. Een concessie bij Winterswijk bracht zout en kolen, maar weinig olie aan het licht. Olie werd steeds belangrijker. Het gemoto­riseerde verkeer en met name de auto was in opkomst. Er kwam steeds meer vraag naar pro­ducten als benzine, stookolie en diesel­olie. Daardoor werden de aardoliemaatschappijen groter. Koster zocht daarom met zijn 'Sirius' en 'Orion' aansluiting bij de Engelse 'Phoenix Oil and Transport Co.' en werd meteen vice-presi­dent van de nieuwe firma. Hij zocht ook zijn geluk in Zuid-Amerika, waar hij de 'Commodore Oil and Transport Cie' met werkterrein in Ar­gentinië oprichtte. Succes had hij hier echter niet. In Neder­land wist hij met enkele andere industriëlen een hoogoven- en staalbedrijf van de grond te krijgen. In september 1918 werd het Hoogoven Staalbedrijf IJmuiden opgericht. Koster nam via zijn 'Mijnbouwkundige Wer­ken' een flink aandeel in het stich­tings­kapitaal. De eerste direc­teur werd Ir. H.J.E. Wenckebach, de oud-directeur-generaal van de Staatsmijnen. Koster trad toe als lid van het college van commis­sarissen. De tijd tot de Tweede Wereldoorlog was heel moeilijk voor de nieuwe onder­neming. Pas na de oorlog kwam de bloei­periode. Koster vervulde een belangrijke rol bij de beraadslagingen. In 1934 moest hij om gezondheidsredenen afscheid nemen. Zijn firma 'Mijnbouwkundige Werken' behield nog lange tijd aandelen in het Hoogoven Staalbedrijf IJmuiden.

Op kerkelijk gebied was Koster ook actief. Er waren onder de mijnwerkers en mijnbe­­ambten heel wat Duitse Lutheranen. Hij kocht een leegstaand houten gebouw aan de Meezenbroe­kerweg en schonk dit als kerk aan de Lutherse gemeente.

De Harmonie Sint Caecilia stelde hem als beschermheer aan. In deze functie kon hij veel waardevol werk doen.

Samen met ir. Dinger was Koster de stuwende kracht achter de Oran­jevereni­ging in Heerlen.

Er kwam ook door zijn toedoen con­tact tussen Nederland en Duitsland. Burgemeester Waszink en ir. Koster richtten de Neder­lands-Duitse Vereniging op, die de culturele betrek­kin­gen tussen beide landen een belangrijke im­puls gaf. De machts­overname van Hitler in 1933 maakte een abrupt einde aan de­ze vereniging.

Ook was Koster vanaf 1925 bestuurslid van de in 1911 opgerichte Kamer van Koop­handel te Heerlen. Hij be­zocht vaak de bijeenkomsten en discussieerde actief mee over ver­keersproblemen, het Juliana­kanaal, spoorlijnen en de open­stel­ling van mijnspoorlijnen voor personenvervoer.

Tot de Eer­ste Wereld­oorlog was Koster druk bezig met zijn industriële activiteiten. In deze oorlog had hij weinig om handen en begon hij zich voor de politiek te inte­resseren. In 1918 werd hij lid van de nieuwe partij, de 'Econo­mische Bond'. Deze ging even later op in de 'Vrijheidsbond'. Voor deze partij werd hij in 1923 lid van de Provinciale Staten van Limburg. Tot 1933 werd hij telkens herkozen. In 1926 werd hij bovendien Eerste-Kamerlid. In 1933 moest hij om gezondheidsre­denen beide functies neer­leggen. Vanaf 1931 tot aan zijn dood in 1935 was ir. Koster lid van de gemeenteraad van Heerlen. Hij overleed op 12 januari 1935 in Bonn op nog geen zestigjarige leeftijd en werd op de Algemene Begraafplaats aan de Akerstraat in Heerlen begraven.

Nadere bronnen en literatuur: