Klooster Redemptoristen (Wittem)

Bron: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, objectnummer 507.894; http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/rechten In 1722 werd de heerlijkheid Wittem gekocht door Graaf Ferdinand van Plettenberg. Enkele jaren later, in 1729, werd in opdracht van de graaf begonnen met de renovatie van het kasteel Wittem. Hij liet tevens door architect J.C. Schlaun, schuin tegenover het kasteel, een capucijnerklooster bouwen. Graaf Plettenberg wilde hiermee het protestantisme dat vanuit Staatse gebieden (Zoals Heerlen, Valkenburg, Klimmen) opkwam bestrijden. Aanvankelijk werd in 1729 een kerk gebouwd die gewijd werd aan de H. Joannes Nepomucenus. Een heilige die populair was onder de Westfaalse adel, waartoe de Graaf van Plettenberg ook gerekend kan worden. In 1733 werd de kerk ingewijd en ingebruik genomen. De zielzorg werd door de paters Capucijnen uit de omgeving van Keulen opgenomen. Na de Franse omwenteling in 1796 werden de Capucijnen uiteindelijk in 1803 verdreven en kwam het klooster leeg te staan.

In 1834 werd door de Redemptorist Von Held een Missie gehouden. Deze werd gepredikt in het voormalige Capucijnerklooster te Wittem. Deze redemptorist was afkomstig van het seminarie (priesteropleiding ) te Sint Truiden. De missie was een geweldig succes en de bevolking was zeer enthousiast. Mede door dit enthousiasme vertrokken de redemptoristen in 1836 uit hun overvolle klooster te Sint-Truiden (België) om hun intrek te nemen in het leegstaande klooster te Wittem. De priesteropleiding verhuisde uiteraard mee. De behuizing van studenten en paters was slecht. Het klooster was slecht onderhouden. Toch bleef het studentenaantal groeien. Tot 1882 zou het seminarie vooral een sterk internationaal karakter hebben. Theologiestudenten kwamen uit België, Portugal, Frankrijk, Hongarije en Duitsland. Uiteindelijk werd het klooster te klein geacht en werd in 1892 besloten het klooster af te breken en er een nieuw gebouw neer te zetten.

De voorgevel van het nieuwe complex werd gebouwd in een neogotische stijl. Het nieuwe klooster was ontworpen als een dubbele carré. Tussen de voor- en achtergevel ligt een ruime verbindingsgang en aan weerszijden daarvan liggen de twee carrés. De westercarré werd afgesloten door de kerk en de oostercarré werd afgesloten door de kloosterbibliotheek. Deze biblotheek die ongeveer 82.000 werken op het gebied van fundamentele theologie, filosofie, bijbelwetenschap, canoniek recht en kerkgeschiedenis bevat heeft een belangrijke rol gespeeld in de wetenschappelijke opleiding van de studenten. Naast "gewone" werken zijn in de bibliotheek ook nog tientallen bijzondere en kostbare middeleeuwse handschriften, 38 incunabelen, en 147 postincunabelen aanwezig. In 1938 werd het kloostergebouw aan de achterzijde, door ontstaan ruimtegebrek, nog eens vergroot.

De kerk van het klooster heeft een centraal vierkant schip met aan weerszijden grote halfronde vensters. Aan de kerk werd rond 1850 een ronde koepelkapel toegevoegd. Tijdens de grote verbouwing van het klooster in 1895 werd het interieur van de kerk vrijwel ongemoeid gelaten. In de kerk bevindt zich ook het praalgraf van de redemptorist kardinaal van Rossum (1854 - 1932). In de kerk zijn in 1939 wandschilderingen aangebracht door Charles Eyck. 

De redemptoristen introduceerden in het klooster te Wittem ook de verering van Gerardus Majella (1726 - 1755) die in 1904 door Paus Pius X heilig werd verklaard. Aanvankelijk vond de Gerardusverering in een zijkapel van de parochiekerk plaats. Maar toen het aantal pelgrims in de twintigste eeuw geleidelijk aan toenam, werd in 1961 een separate Gerarduskapel gebouwd. In deze pelgrimskerk hangt een waardevol kruis dat tot 1968 als wegkruis tegenover de kerk gestaan heeft. Bij de laatste restauratie ontdekte men onder meerdere verflagen een mooi corpus (lichaam) van eikenhout daterend uit ongeveer 1530.

Nadere bronnen en literatuur: