Klimmen (gemeente Voerendaal)

Geschiedenisschets

Bron: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, objectnummer 290.004; http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/rechten Klimmen wordt voor het eerst genoemd in een akte van 968 waarin koningin Gerberga een jachtslot of kasteel, gelegen te Klimmen, doneert aan de abdij van Reims. Naar alle waarschijnlijkheid was dit kasteel gelegen op de plek waar nu het (klimmender) huuske gelegen is. Het dorp Klimmen is echter van veel oudere datum en gaat vrijwel zeker terug tot de Romeinse tijd. Bewijzen voor het bestaan van Romeinse wegen zijn er te over. We zien het onder andere terug in de verschillende straatnamen zoals de Steenstraat en Heerstraat. Daarnaast zijn er in de oudste muren van de Remigiuskerk Romeinse dakpanresten ingemetseld en zijn er Romeinse urnen gevonden bij het oude kerkhof. Sinds 1153 is Klimmen een zelfstandige schepenbank, waaronder ook het dorp Hulsberg viel. Later, toen Klimmen tot hoofdbank werd verheven, zou ook Schimmert onder Klimmen komen te vallen. Tot 1626 zou ook Nuth tot de hoofdbank Klimmen behoren, waarna het tot een zelfstandige heerlijkheid verheven zou worden. Klimmen had slechts middelbare en lage rechtspraak. De hoge rechtspraak werd uitgevoerd door de schepenen van de stad Valkenburg.

In 1661, na de 80-jarige oorlog, viel het grondgebied van de hoofdbank Klimmen, als deel van het generaliteitsland, onder bestuur van de Staten-Generaal in Den Haag. Administratief bestond de schepenbank (het gebied) uit drie eenheden; Klimmen, Hulsberg en Schimmert, ieder met eigen administratieve ambtenaren en bevoegdheden. Klimmen had in 1796, 896 inwoners, Hulsberg 945 en Schimmert 1186. In 1795 werd met de komst van de Fransen een einde gemaakt aan de schepenbankstructuur. Er volgden nu een aantal rumoerige decennia waarin de gemeentestructuur werd opgebouwd.

De gemeente Klimmen kampte gedurende, vrijwel de gehele 19e eeuw, met een tekort aan financiën. De bevolking leefde grotendeels van landbouw en de veeteelt. In 1859 woonden er 1154 mensen te Klimmen, in 1903 waren dat er 1276. Pas in de 20e eeuw zou het karakter en de opbouw van de gemeenschap te Klimmen veranderen. Dit kwam uiteraard door de diverse mijnen, maar ook door de komst van de spoorwegen werd de regio uit zijn isolement gehaald. Het gevolg was dat de bevolking sterk toenam. In 1939 waren er 2058 inwoners en in 1960 was het inwonertal gestegen tot 2859. Het karakter van de gemeente was een woongemeente. Rond 1960 verdiende 64% van de beroepsbevolking buiten de gemeentegrenzen zijn brood.

Herkomst naam

De herkomst van de naam Klimmen lijkt voor de hand te liggen. Komende vanuit zowel Valkenburg als Voerendaal is het zwaar “klimmen” naar het kerkdorp. Dat deze naam ook daadwerkelijk dat werkwoord betekent is wel hard te maken met het feit dat de verbasteringen van de naam in de diverse archiefstukken (Cluma, Clumma, Clumena, Clemen, Chlimban) uitgaan van het op z’n dialect uitgesproken Klimmen.

Nadere bronnen en literatuur: