Kerk St. Laurentius (Voerendaal)

Bron: www.kerkgebouwen-in-limburg.nl De parochie Voerendaal moet bijzonder oud zijn. De Pancratiuskerk te Heerlen en de Martinuskerk te Welten zijn beide dochterkerken van de Laurentiuskerk Voerendaal. Toch staat van de Heerlense en Weltense kerken al vast dat ze in 1049 bestonden. Een overblijfsel uit deze relatie is af te leiden uit de Heerlense sacrementsprocessie die nog eeuwenlang doorliep tot in Kunrade. De ouderdom van de Laurentiusparochie moet dus aanzienlijk ouder zijn dan 1049. Maar niet alleen Heerlen en Welten, ook de St. Janskerk te Hoensbroek (1390), de kerk te Schaesberg (1649), de kerk te Nieuwenhagen (1792), de Corneliuskerk te Heerlerheide (1838) en de Bernarduskerk te Ubachsberg (1842) zijn dochterkerken van de Laurentiusparochie. Daarnaast is er sprake van een inwijding van de kerk door Paus Leo IX op 14 augustus 1049. Echter harde bewijzen hiervoor ontbreken.

Bij de overeenkomst tussen Spanje en de Staten-Generaal in 1661, vastgelegd in het partage-tractaat, viel Voerendaal in staatse handen. Gevolg hiervan was dat alle katholieke pastoors en priesters hun huizen, kerken en parochies dienden te verlaten. Deze werden ingenomen door protestantse predikanten. De inwoners van Voerendaal weken uit naar andere parochies, op Spaans grondgebied, waar zij de mis konden bijwonen, gedoopt werden en huwden. In 1672 veranderde de situatie wederom met de verovering door de Fransen van de Staatse gebieden. De pastoor kon weer terugkeren naar zijn parochie. Na de vrede van Nijmegen, in 1678, viel Voerendaal weliswaar weer in Staatse handen, maar de harde onderdrukking van de Rooms-Katholieke gemeenschap bleef nu uit. De pastoor mocht terugkeren in zijn parochie en de mis lezen in de kerk. De kerk werd simultaan gebruikt. De protestanten gebruikten de kerk op de meest gunstige tijden en zij eisten dat de katholieken alle tekenen van afgoderij (beelden en dergelijke) met doeken afdekten. Uiteraard leidde dit simultaan gebruik tot spanningen.

De kerktoren is, naar men aanneemt, het enige overblijfsel van de door Leo IX gewijde kerk. In de toren is de doopkapel gesitueerd. Met het vertrek van de calvinisten in 1672 bleek dat de kerk ernstig beschadigd was. Het hoofdaltaar was vernield. De kerk had geen dak meer en veel kerkelijke goederen waren verdwenen, waaronder de zilveren monstrans en de biechtstoel. De vijf altaren (gewijd aan Agatha, O.L. vrouwe, Catharina, Mathias en het Heilige Kruis) waren wel nog aanwezig. In 1819 werd door pastoor Luchtman een nieuwe grote 850 kilo zware kerkklok ingewijd, gevolgd door een iets kleinere kerkklok in 1878.

Rond 1840 was de kerk bijzonder bouwvallig en er werd besloten tot sloop en herbouw. De ontwerper van de kerk was J. Dumoulin uit Maastricht. De toren zou voorheen vijf à zes meter hoger zijn geweest. Er waren, evenals in 1911, twee sacristieën en het koor was plat. Bij de sloop van het gewelf kwam een geschilderde platte houtzoldering tevoorschijn. De nieuwe kerk werd een zaalkerk met een koor en twee nevenruimten. In 1918 werd de kerk uitgebreid, op basis van een ontwerp van architect Jan Stuyt. Er werd destijds eveneens een patronaat gebouwd. Tussen de restanten van de oude parochiekerk werd een oude primitieve altaarsteen teruggevonden. In 1949 werd er wederom gebouwd, nadat plannen uit 1939 kwamen te vervallen door de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog. In 1984 werden de laatste grote restauratiewerkzaamheden aan het plafond uitgevoerd. Van de feitelijke Dumoulinkerk uit 1843 staan enkel nog de muren van het schip. 

Nadere bronnen en literatuur: