Köpkensmolen

De molen was gelegen ten oosten van Heerlerheide bij de vroegere gemeentegrens met Hoensbroek aan de Rennemigerveldweg. Vermoedelijk heeft hij door deze ligging aan de kop van twee gebieden met een eigen identiteit en naam de dialectnaam Köpkesmolen gekregen.

Gedurende een lange periode was hij in bezit van de familie De Hesselle, die de molen eind 17e eeuw had gekocht van de adellijke familie Van Eynatten.

Het oorspronkelijke pand dateerde uit 1630. In 1830 werd de familie Hoenen de nieuwe eigenaar. Zij liet de molen in 1870 grondig verbouwen, wat blijkt uit de gevelsteen ”H-S 1870” ( H-S = Hoenen-Sijstermans). Op 25 mei 1882 is er waarschijnlijk een flinke brand geweest. In het kasboek van dat jaar vinden we een rekening van grote timmerwerkzaamheden. De molenaar bedankt in een briefje zijn buurtbewoners voor hun hulp en trakteert hen op enkele vaten bier in café Leers aan de Bok. Hij bedankt tevens de verzekeringsmaatschappij voor de vlotte uitbetaling. Hij was dus goed verzekerd.

De Köpkesmolen lag op de Caumerbeek en was de grootste watermolen van Heerlen. Het U-vormige complex bestond aan de rechterzijde uit een groot rechthoekig molengebouw van twee verdiepingen met daarboven een zolderverdieping onder een pannenzadeldak, dat in de jaren 1869-1870 gebouwd werd. Het middengedeelte werd gebruikt als woonhuis. Het linkergedeelte had de functie van pakhuis. Beide gedeelten dateren vermoedelijk uit de jaren 80 van de 19e eeuw. Het molengebouw had grote boogvensters en aan de voorzijde een kleine toegangsdeur. Op de eerste en derde verdieping beschikte de molen tevens over een laad- en losdeur.In het middendeel bevond zich naast het molengebouw een grote poort, die toegang gaf tot een binnenplaats, waaraan de boerderij lag. De molen werd aangedreven door een bovenslagrad met een middellijn van 5,00 m en een breedte van 2,00 m. Als de wateraanvoer voldoende was, behoorde het tot de krachtigste waterraderen van de Heerlense watermolens. De beek beschikte een tijdlang over veel water, omdat de ON III en IV hun mijnwater op de Caumerbeek loosden.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het einde voor de molen in zicht. In 1957 had hij nog maar twee koppels stenen en werd elektrisch aangedreven. Het vroegere molenhuis, waaraan het schoepenrad bevestigd was, werd afgebroken en de beek werd verlegd. In 1950 werden de stuwrechten door het waterschap afgekocht in verband met de verlegging van de Caumerbeek. Mijnverzakkingen zorgden al geruime tijd voor onvoldoende water. In 1963 verkocht molenaar Bückers de molen aan de ON-mijnen. Even was er sprake van dat een mijnmuseum in de molen zou worden gehuisvest, maar dat heeft geen doorgang gevonden.

Nadere bronnen en literatuur: