Jongeneel, Jakob (dominee Heerlen)

21 februari 1831 - 20 maart 1887

Hij werd op 21 februari 1831 in Rotterdam geboren als de oud­ste zoon van de hervormde wijnkoper Dirk Jacobszoon Jonge­neel en Sara van der Does. In 1843 werd hij leerling aan de sinds de 14e eeuw bestaande stads­­­school, het latere Gym­nasium Eras­mianum. Deze school hoorde tot de 'Latijnse scho­len', die naast de klassieke gymnasiumopleiding ook beschikten over een vier­jarige bèta-afdeling, waarin han­delsvakken waren op­genomen. Jakob Jon­geneel deed in 1847 eind­­­examen in deze laat­ste richting. Tot 1850 werkte hij als vrijwilli­ger op een commis­sionairs- en expediteurskantoor. Na de dood van zijn vader be­sloot hij een andere toe­komst te kiezen. In septem­ber 1852 schreef hij zich in voor de theo­logie-opleiding aan de Univer­si­teit van Utrecht.

Hij had ook interesses buiten dat vakgebied. Zo richtte hij in 1854 met enkele vrienden het Gezelschap Panta Noèta op, dat al snel 22 leden telde uit verschillende faculteiten. Dit gezel­schap had tot doel 'de bevordering van algemene kennis door het doen houden van lezingen'. Tot 1856 verbleef Jongeneel in Utrecht. Van oktober 1856 tot april 1857 studeerde hij verder aan de Universiteit van Leiden en hij legde vervolgens het pro­po­nent­sexamen af bij het Provinciaal Kerkbestuur van Gel­derland. In 1858 werd hij benoemd tot dominee van de Her­vorm­de Ge­meente in het Gelderse Hurwenen (in het oosten van de Bomme­lerwaard). In deze rustige gemeente had hij veel vrije tijd en kon hij zich behalve aan het pastorale werk ook aan de geschied-, taal- en letterkunde wijden. Hij bood actief hulp bij twee rampen in zijn gemeente: een watersnood in 1861 en een cholera-epidemie in 1867.

Op 10 februari 1868 werd hij benoemd tot leraar aan het atheneum te Deventer, waar hij ge­schiedenis, Nederlandse taal- en letterkunde en logica do­ceer­de. Hij hield een intrede-oratie over 'De opbouw der ge­schiedkunde naar den eisch onzer dagen'. Zijn werk aan deze school was maar van korte duur. Tijdens het schooljaar 1871/1872 waren de verhoudin­gen bin­nen de school zo slecht geworden, dat Jongeneel gedwongen was ontslag te nemen. Hij behield de titel hoogle­raar, die hij als docent aan het athe­neum voerde. Tot 1875 was hij docent aan het stedelijk gym­nasium.

In 1868 was hij getrouwd met de Amsterdamse Maria Hen­riëtte Koopman. Het echtpaar kreeg drie kinderen. In de perio­de 1875-1877 had hij geen werk. Jongeneel was in die jaren secre­taris van het Schoolverbond. Hij schreef de brochure 'De huis­houdschool voor meisjes, een eisch des tijds' en kreeg een eer­ste prijs in een prijsvraag van H. Pierson over het gebruik van aardrijkskundige platen bij het onderwijs.

Op 29 juli 1877 werd dominee Jongeneel benoemd tot pre­dikant in Heerlen. Ook hier had hij genoeg vrije tijd. De Her­vormde Gemeente telde niet meer dan 20 mannelijke lidma­ten. De familie Jongeneel woonde in de predikantswo­ning, die gelegen was op de plek waar zich nu de absis van de St. Pancrati­uskerk bevindt. De diensten werden gehouden in het in 1836 gebouwde kerkje aan de Klompstraat. Jongeneel kon zich ook in zijn nieuwe standplaats intensief met de ge­schie­denis en de taalkunde van de streek bezighouden. Na intensieve studie van het dialect en de geschiedenis publiceerde hij 'Een Zuid-Lim­burgsch taaleigen: proeve van vormenleer en woordenboek der dorpsspraak van Heerle, met taal- en ge­schied­kundige inleiding en bijlagen' (Heerlen, Weijerhorst, 1884). Hij moest voor zijn dia­lectstudie ongeveer van de grond af beginnen. Het voortreffe­lijke boek plaatste Jongeneel in de rij van Limburgse taal- en dialectgeleerden als Endepols uit Maas­­tricht met zijn 'Dictionaire van het Mestreechs', Willy Dols met zijn proefschrift over de Sittardse diftongering (het ont­staan of vormen van een twee­klank uit een enkele klinker) en Winand Roukens uit Kerkrade. In een inleiding geeft hij een kor­te ge­schiedenis van Heerlen en een verklaring van de naam Heer­­len. Het eerste hoofdstuk behandelt de klank- en woord­leer. Het tweede hoofdstuk geeft een woor­denlijst van onge­veer 3000 echt Heerlense woorden. Het derde en laatste hoofd­­stuk bevat een aantal bijlagen over spreekwijzen en -woorden, proeven van de Heerlense schrijftaal in het verle­den, plaats-, buurt-, steeg- en huisnamen en een vermelding van burgemeesters, pastoor-dekens en predikanten die in Heer­len werkzaam waren. Het is een studie van formaat ge­wor­den. In de jaren na het verschijnen van zijn boek werd hij getrof­fen door een hersen- en zenuwziekte. In 1887 zag hij zich ge­nood­­zaakt naar Utrecht terug te keren. Hij dacht er nog te kun­nen her­stellen, maar op 20 maart van hetzelfde jaar is hij op 56-jarige leeftijd overleden.

Nadere bronnen en literatuur:

Tags

Plaatsen

Thema's

Beroepen