Hustinx, E.J.H (chirurg)

Chirurg dr., 16 juli 1875 - 14 november 1946

Edouard Joseph Hubert Hustinx werd op 16 juli 1875 in Smeer­maes-Lanaken (Belgisch Limburg) geboren als zoon van een Nederlandse vader en een Belgische moeder. Zijn mid­del­bare school volgde hij in Maastricht. Hij studeerde ver­vol­gens geneeskun­de in Leuven. Het artsexamen behaalde hij aan de Universiteit van Gent. Aan deze laatste universiteit pro­mo­veerde hij tot doctor in de geneeskunde. Om in Neder­land als arts te kunnen werken, studeerde hij vervolgens verder aan de Universiteit van Utrecht. Hij werkte hier als assistent van prof. Narat, ver­volgens in Brussel bij prof. De Page en in Parijs bij prof. Tuffier. Na deze assistentschappen was hij werkzaam als scheepsarts. In deze functie maak­te hij onder andere een reis naar Nederlands-Indië. Na terugkeer uit het verre oosten richt­te hij in Maastricht een privé-kli­niek op en werkte hij tevens als arts in het ziekenhuis aldaar. Van be­gin af aan was hij betrokken bij de oprichting van het St. Jo­zef­ziekenhuis in Heerlen. Aanvankelijk kwam hij ‘s zaterdags op de fiets uit Maastricht om operaties uit te voeren. Na de ver­bouwing en uitbreiding van het ziekenhuis kwam Hustinx daar in 1909 in vaste dienst als vrouwenarts en chirurg. Tevens was hij verbonden aan het ziekenhuis van Sittard. Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest hij wegens te drukke werkzaamheden zijn activiteiten in Sittard beëindigen.

In de loop der jaren werd dr. Hustinx een autoriteit op medisch terrein. Hij deed pionierswerk op het gebied van de lokale anes­the­sie (plaatselijke verdoving). Daarnaast werd hij een specialist op het gebied van maagoperaties en zweren aan de twaalfvingerige darm, het zogenaamde rectum-carcinoom. Grote bekendheid verwierf hij door operaties van hazenlippen en gespleten verhemelten. Op het terrein van de orthopedie ver­richtte hij baanbrekend werk door operaties van de klomp­voet en de behandeling van de meniscus van de knie. Knieope­raties werden in Heerlen veel uit­gevoerd bij mijnwerkers.

De operaties van dr. Hustinx raakten ook bekend in het bui­ten­land. Op congressen in Boekarest, Caïro, Warschau, Pa­rijs, Rome en Brussel demonstreerde hij aan buitenlandse pro­fessoren en chirurgen zijn in Heerlen verrichte operaties, die ook op film werden vastgelegd. Chirurgen uit Frankrijk, België, Nederland en Duitsland kwamen naar Heerlen om bij opera­ties aanwezig te zijn en om de door dr. Hustinx toegepaste me­t­hoden te bestuderen. Elk jaar woonde Hustinx het chirur­gencongres in Parijs bij en om de vier jaar nam hij deel aan het internationale chirurgencongres, dat steeds in een ander land werd gehouden. In binnen- en buitenlandse tijd­schriften schreef hij artikelen over chirurgie en orthopedie en hij hield in binnen- en buitenland voordrachten over thema’s op zijn vak­gebieden.

Hij was voorzitter van de Nederlandse Orthopedische Vere­ni­ging, van de Nederlandse Vereniging van Chirurgen en van de Kring Heerlen van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde. In het verenigingsleven heeft hij ook zijn sporen verdiend. Door zijn bewondering voor de Franse cultuur was Hus­tinx vanaf de oprichting voorzitter van de afdeling Mijn­streek van de Alliance Fran­çaise en hij was lid van buitenlandse verenigingen.

Dr. Hustinx was een chirurg die liefde had voor zijn vak en hij was iemand die hield van experimenteren. Hij had een ijzer­sterk gestel en was onvermoeibaar. Tientallen jaren lang stond hij dag en nacht klaar voor zijn patiënten. Velen hebben hun leven aan deze onvermoeibare werker te danken. Hij was een markant figuur. Bekend is zijn uitspraak: "Wen de patiënt genést, dan hat der Oze Léve Heer geholpen, wen de patiënt sturft, dan hat der Hustinx ut gedoa". Na zijn vijfenzestigste bleef hij onvermoeibaar doorwerken. Hij wilde nog een ver­han­deling schrijven over nieuwe ope­ratieve methoden. Het is er niet meer van gekomen. Op de avond van 12 november 1946 kreeg hij, na thuiskomst van een hele dag werken in het ziekenhuis, een hartaanval. Twee dagen later, op 14 november, is hij op 71-jarige leeftijd overleden.

Nadere bronnen en literatuur: