Heerlen centrum (gemeente Heerlen)

Uitgeverij van der Meulen, Sneek. Geschiedenisschets

Heerlen is als Romeinse nederzetting in de 1e eeuw na Christus ontstaan tussen de Geleenbeek en de Caumerbeek bij de kruising van twee belangrijke heerbanen: Keulen-Heerlen-Maastricht-Tongeren-Bavai-Boulogne en Xanten-Heerlen-Aken-Trier.

Ook na de Romeinse tijd bleef de nederzetting bewoond. In 1244 kreeg de graaf van Are-Hochstaden toestemming om de reeds aanwezige versterking, waarschijnlijk de Schelmentoren, om te bouwen tot een verdedigbare plaats, het landsfort. De structuur van dit fort is nog herkenbaar in het stratenplan rondom het Pancratiusplein.

In de 14e eeuw werd Heerlen een heerlijkheid binnen het land van Valkenburg. In 1661 werd de heerlijkheid Heerlen Staats gebied, dat wil zeggen ging deel uitmaken van de Republiek der Verenigde Nederlanden, en zou daardoor enkel nog als schepenbank functioneren. Het werd dan ook sindsdien als generaliteitsgebied vanuit Den Haag bestuurd. Deze schepenbank (hoofdbank) behield overigens wel alle vormen van rechtspraak.

Tot het eind van de 19e eeuw bleef Heerlen een dorp met een overwegend agrarische karakter en een regionale marktfunctie. Dit veranderde drastisch door de mijnbouw. De Limburgse steenkool werd bereikbaar gemaakt voor exploitatie door de aanleg van de spoorlijn Sittard-Heerlen-Herzogenrath in 1896 en in 1899 werd de eerste steenkool naar boven gehaald. De stad breidde zich door deze mijnbouw in drie tot vier decennia enorm uit. Duizenden mijnarbeiders met gezinnen moesten behuizing krijgen. Dit werd gerealiseerd door de massale aanleg van mijnwerkerskoloniën, concentraties van buiten de bebouwde kom van Heerlen gelegen arbeiderswoningen. Na de Tweede Wereldoorlog raakte deze koloniën meer en meer vergroeid met de stad. Met het sluiten van de mijnen werd de stad op grote schaal gereconstrueerd waarbij oude stadsdelen gesloopt werden en oude mijnterreinen bebouwd.

Herkomst naam

Voor de naam Heerlen zijn meerdere verklaringen gegeven. De eerste verklaring gaat in op het woord “Heer” dat in de kern terug zou voeren op Chorio, Chari, Har, Cherr dat tot Heri leidt en “droog” betekent. Het achtervoegsel Len zou ontstaan zijn uit het Frankische Loo, dat bos betekent. Tesamen betekent Heerlen dan “Droog Bos”. Het Romeinse Coriovallum lijkt inderdaad sterk op Chorio, maar heeft niet een gelijksoortige betekenis. Het is dan ook aannemelijk dat de Romeinen de naam Chorio overnamen van de inheemse bevolking. Geheel tegendraads is ook “Nat Bos” goed te verdedigen. Denk aan het nu nog op kleine schaal deels aanwezige waterbos tussen de Geleen- en de Caumerbeek. Het deel “Or” in Coriovallum zou dan teruggrijpen op het Keltische woord “Ar” dat beek betekent. Een derde verklaring is heel wat minder exotisch. Heerlen zou Heerbos (Len ontstond dus uit Loo; bos) betekenen. Een vierde verklaring gaat uit van het Germaanse “Haria” dat leger betekent en het Germaans “Walla” dat terugvoert op het Latijns “vallum” en “wal” betekent. In deze constructie betekent Heerlen dus omwalde legerplaats.

Voor wat betreft de Romeinse naam van Heerlen is men altijd er vanuit gegaan dat het Coriovallum was, dat “legerplaats” betekent. Dit is op zich vreemd, omdat Heerlen geen militaire legerplaats is geweest. Een andere verklaring is te vinden in het Latijnse woord Corium dat klei of potaarde betekent. Redelijk plausibel als je bedenkt, dat Heerlen bijzonder rijk was aan Romeinse pottenbakkers. Echter onderzoek heeft de mogelijkheid aan het licht gebracht dat de Romeinse naam niet Coriovallum is, maar Cortovallio moet zijn geweest. Zo staat de plaats Heerlen ook op de beroemde Peutingerkaart vermeld. Deze naam zou een Germaanse/Keltische verbastering zijn van Corio-valio of Hariwalia, wat zoiets betekent als versterkte gastvrije plaats. Dat komt ook meer overeen met de feiten. Het Romeinse Heerlen was geen militaire legerplaats maar een burgerlijke nederzetting.

Nadere bronnen en literatuur: