Haeren, kasteel (Voerendaal)

De familie van Haeren was een aanzienlijke familie, die in de dertiende eeuw te Maastricht vooral bestuurlijke functies bekleedde.

De eerste vermelding in de archieven over het bestaan van dit kasteel dateren van 1296 waar het als eigendom van Ogier van Haren wordt genoemd. Het goed Haeren was een riddergoed dat behoorde tot het leen van Wijnandsrade. Het feit dat grondgebied met kasteel een riddergoed werd genoemd betekende dat de leenman van het kasteel, mits van adel, mocht deelnemen aan de landsvergadering van het Land van Valkenburg. Het goed werd verheven in de Keurkeulse mankamer te Heerlen dat gezeteld was in het Manhuis. De prijs ervoor was twee fluwelen beurzen, de een gevuld met goud en de andere met zilver.

Via overerving en huwelijkssluitingen komt het kasteel in handen van het geslacht van Hoen tzu Broech. In 1671 huwde de dochter van Daniël van Hoen tzo Broeck met Karel, baron de Haudion de Cybereby. Het kasteel kwam op deze manier in handen van het geslacht Haeren. In de 18e eeuw werd het meerdere malen doorverkocht aan particulieren.

In 1742 werd het kasteel grotendeels door brand verwoest, maar daarna weer opgebouwd. Rond 1770 is de herbouw voltooid.

Eind 18e eeuw komt het in handen van de familie van Panhuys, waar het ruim een eeuw blijft. Deze familie heeft nog een grafsteen op de begraafplaats naast de Laurentiuskerk te Voerendaal.

In 1883 wordt het kasteel gekocht door Eugene van Oppen, wiens familie het lang in bezit hield maar er zelf nauwelijks, buiten de zomerperiode, verbleef.

Het kasteel werd gedurende de twintigste eeuw gebruikt als kindertehuis.  Er zijn nu verschillende appartementen in ondergebracht.

Nadere bronnen en literatuur: