Frowein, mr. dr. W.F.J. (mijndirecteur)

Mijndirecteur, 2 november 1876 - 12 juli 1958

Wilhelm Frederik Johan Frowein werd op 2 november 1876 in Arnhem geboren. In zijn ge­boor­testad doorliep hij het gymnasium en vervolgens studeerde hij van 1894 tot 1899 rechten in Utrecht. In 1899 promoveerde hij tot doctor in de rechten en in 1901 nogmaals in de staatswe­tenschappen. In de jaren daarna was hij werkzaam als com­mies-redacteur bij de gemeente Groningen. Op 1 februari 1904 kwam hij in dienst bij het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel, belast met de afhandeling van mijnbouwaangelegenheden. Frowein was betrokken bij de opstelling van het Mijnreglement, dat in 1906 gereed kwam. De directeur-generaal van de Staatsmijnen, de heer H.J.E. Wenckebach, trad in 1907 af en vertrok naar Nederlands-Indië. Op 9 december van dat jaar werd het besluit genomen, dat de directie van de Staatsmijnen voortaan uit drie personen zou bestaan. Op 1 januari 1908 werd mr. dr. Frowein op 31-jarige leeftijd voorzitter van de directie van de Staatsmijnen.

In die tijd verkeerde de mijnindustrie in ons land nog in het beginstadium. Zij moest opboksen tegen de buitenlandse con­currentie, met name uit Duitsland en Engeland. In Limburg was men bang dat het staatsbedrijf, dat verantwoordelijk was voor de ontginning van kolen, in een te bureaucratisch keurslijf zou blijven steken. Frowein was geen bureaucraat, maar iemand met een brede blik en koopmansgaven en hij beschikte daarnaast nog over capaciteiten op het financiële vlak. Dit laat­ste bleek bij de mijn Maurits, de gelden voor de ontwikkeling wer­den volledig ge­dekt uit exploitatieoverschotten. Zijn orga­ni­sa­tietalent bleek spoedig na zijn aantreden.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog en de jaren daarna moest voor een doelmatige brandstofdistributie worden gezorgd. Dr. Frowein werd directeur van de Rijkskolendistributie. Een taak die hij op uitstekende wijze volbracht. Hij was echter niet alleen een goed mana­ger, maar ook een so­ciaal voelend mens. Hij wist de juis­te men­sen aan te trekken en gaf hen ook de kans hun ideeën uit te voeren. De Staats­mijnen waren het eerste staats­bedrijf waar een be­drijfs­­organisatie werd verwezenlijkt. Kortom, de heer Fro­wein heeft in Limburg op het com­merciële en menselijke vlak er­voor gezorgd, dat de over­gang van een agrarische samenle­ving aan het begin van deze eeuw naar een industriële maatschappij soe­pel kon ver­lopen. Hij maakte van de Staatsmijnen een modern bedrijf, dat kon concurreren met het buitenland. Dit bleek uit de groei van productie en per­soneel. In 1908 produceerden de Staats­mijnen 31.371 ton kolen per jaar en hadden zij 557 man in dienst. Vijfentwintig jaar later was de productie gestegen naar 7.222.000 ton en het aantal personeelsle­den naar 22.291.

Ook buiten het bedrijf maakte Frowein naam. Bij de inter­na­tionale tentoonstelling van Industrie, Wetenschappen en hun Toepassing in Luik in 1930 was hij contactcommissaris-generaal voor Nederland en voorzitter van de Centrale Commissie voor de deelneming van Nederland aan deze tentoonstelling. Bij inter­nationale besprekingen over kolenvraagstukken trad hij op als Neder­lands vertegenwoordiger. Hij was verder voor­zitter van de Con­tact­commissie voor het Mijnbedrijf en boven­dien van het bestuur van het Algemeen Mijnwerkersfonds. Bui­ten zijn directe werkgebied was hij actief als protestants regent van het katholieke St.-Jozefzieken­huis en vele jaren lid van de Provinciale Staten van Limburg. Verder maak­te hij deel uit van het hoofdbestuur van de Christelijk Histo­rische Unie en was hij president-kerkvoogd van de Centrale Her­vormd­e Gemeente Heerlen. Vooral in deze laatste functie heeft hij veel bijgedragen aan de verstandhouding tussen protestanten en katholieken. Zijn echtgenote was lid van de Engelse High Church, een kerk die wat liturgie betreft dichtbij de katholieke eredienst stond. Regelmatig woonde zij met haar man de Heilige Mis bij in de kerk van Eys. Eind 1932 werd zijn zilveren jubileum bij de Staats­­mijnen groots gevierd. In de regionale kranten versche­nen lange artikelen over de president-directeur.

In december 1941 ging de heer Frowein met pensioen. Hij leidde voortaan een teruggetrokken leven op het landgoed Goedenrade in Eys-Wittem. Deze rust werd nog twee keer onderbroken door zijn gouden bruiloft in mei 1952 en zijn tachtigste verjaardag in novem­ber 1956. Bij deze laatste gelegenheid kreeg hij de ere­penning van de provincie Limburg uitgereikt. Op 12 juli 1958 is hij op 81-jarige leeftijd overleden en op zijn landgoed begraven.

Nadere bronnen en literatuur: