Dautzenberg, Jan Michiel (dichter)

Dichter, 6 december 1808 - 4 februari 1869

Jan Michiel Dautzenberg werd in Heerlen geboren op 6 december 1808 als zoon van een meester-schoenmaker. Naast het gewone lager on­derwijs kreeg hij Latijnse les van kapelaan Mieris. Jan Michiel betaalde zijn leraar Latijn door middel van het afschrijven en samenstellen van diens preken. Mieris gebruikte steeds grote brokken uit verschil­lende boeken om zijn preek samen te stel­len. Met potlood streepte hij de gedeeltes aan die zijn leerling moest overnemen. De twaalfjarige werd hierin zo bedreven dat hij ongemerkt tussen de aangegeven gedeelten eigen werk inlaste.

In 1826 werd Dautzenberg secretaris van graaf Karel Leo­pold de Belderbusch, de bewoner van kasteel Terworm. Hij trok met zijn werkgever voor enkele maanden naar Parijs. Na terugkeer in Heerlen werd hij notaris- en ontvangersklerk en later onderwij­zer. Deze laatste functie vervulde hij achtereen­volgens in Maas­tricht, Bergen, Doornik en even voor 1830 in Gent. Hier raakte hij bevriend met de letterkundigen Prudens van Duyse, Judocus Jan Steyart en Johannes van Dam Thz. In die tijd trok hij naar Vilvoorde waar hij huisleraar werd van het gezin van graaf Duman­ceau (de adjudant van de Prins van Oran­je) die hij al eerder had leren kennen. Deze had drie doch­ters en twee zonen.

In zijn vrije tijd schreef Dautzenberg gedichten, aanvankelijk in het Frans en Duits, naderhand uitsluitend in het Nederlands. Na zijn huwelijk in 1838 gaf hij zijn baan als huisleraar op en werd in Chatelineau rekenplichtige van de ijzersmelterij en kolenmij­nen van de Société de Commerce de Bruxelles. Bij dezelfde maat­schappij kreeg hij in 1841 in Brussel een functie als boek­houder. Hij woonde in bij zijn schoonouders in Vilvoorde en reisde elke dag voor zijn werk naar Brussel. Na enige tijd ves­tigde hij zich definitief in Elsene bij Brussel. In 1850 verscheen de eerste dichtbundel van Dautzenberg onder de titel 'Gedich­ten'. In zijn ‘Beknopte Prosodia der Nederduitsche Taal’, dat in hetzelfde jaar verscheen, verklaarde hij zich een voorstander van de antieke metra en ging hij in tegen het "eentonig geklapper van iamben en trochaeën". Zijn op­vattingen waren ontleend aan de Deutsche Schul­gram­matik van Joh. Chr. Aug. Heyse en met name aan het hoofstuk 'Versleh­re'. Daut­zen­berg oefende met deze theorie die hij met veel ijver verdedig­de, veel in­vloed uit op de ziens­wijze van Pru­­dens van Duyse in zijn boek "Verhandeling over den Nederland­­­­­­­schen Versbouw". Ook was hij een voorstander van het behoud en opnieuw invoeren van allerlei Ne­der­landse taalarchaïsmen. Hij pleit­te voor het gebruik van het oude 'du' en voor een strenge inachtneming van alle buigingsuitgangen en tegen het ver­van­gen van de datief- en genitiefbuiging door 'aen' of 'van'. Wij kun­nen dit verklaren uit wat Dautzenberg zelf zijn conser­va­tieve aard noemde, maar ook uit zijn Limburgs dialect en het Duits, dat in zijn taalgevoel overheerste.

In het jaar van zijn dood (1869) publiceerde zijn schoon­zoon, de Vlaamse dichter Frans de Cort, 'Verspreide en nagela­ten Gedichten', gedichten die in de bundel van 1850 niet voor­kwamen. Vijftig oden van Horatius, die de dichter had vertaald, waren lange tijd zoek en konden pas in 1910 door zijn kleindoch­ter worden uitgegeven. Enkele andere werken van Dautzenberg zijn: het Volksleesboek  (1844); 'Verhalen uit de Geschiedenis van België' (1850) (samen met P. van Duyse); 'Willkom­gruss dem Deutsch-Vlämischen Sängerbund - Wel­komgroet den Duitsch-Vlaemschen Zangverbonde, te Gent' (1847); 'Verslag over den Vlaemschen prijskamp, door ‘s lands bestuer uitgeschreven, bij gelegenheid der vijf en twintigjarige Jubelfeesten, toegewijd aan Z.M. Leopold I' (1856); 'Brugsche Beyaertsgroet' (1862); 'Strijdige richtingen sedert drie, vier eeuwen der Hoog- en Nederduitsche taelleeraren' (1862) en 'De Berghwerker'. In 1857 richtte hij samen met P. van Duyse, J. Heremans en anderen het onderwij­zerstijdschrift 'De Toe­komst' op, waarin hij enkele opstellen schreef. In 1928 gaf M. Sabbe in de bundel Letterkundige Ver­scheidenheden onder de titel 'Dautzenbergiana' ongeveer zeven­tig brieven uit van Dautzenberg, zijn schoonzoon Frans de Cort, Prudens van Duyse en anderen. De originelen hiervan worden bewaard in het Plantijn-Moretusmuseum te Antwerpen.

Op 4 februari 1869 overleed hij in Elsene en werd hij daar ook begraven. In Brussel en Heerlen zijn straten naar hem ge­­­­­­­­­­­­­­­­noemd. In het oude Stadhuis van Heerlen werd op 13 decem­ber 1908 ter herdenking van de honderdste geboortedag een gedenkplaat onthuld. Deze is op 18 december 1975 opnieuw geplaatst in de Heer­lense Openbare Bibliotheek.

Nadere bronnen en literatuur:

Tags

Plaatsen

Thema's