Brunssum (Gemeente Brunssum)

Geschiedenisschets

De Brunssumerheide, aan de rand van Brunssum, is al bewoond sinds het Stenen Tijdperk. De bewoners waren afkomstig uit het gebied van het huidige Oostenrijk en Hongarije. De omgeving van Brunssum werd later ook bewoond door Romeinen. Zij begonnen hier een keramische industrie die tot in de late middeleeuwen heeft bestaan en rond 1200 bij Oeloven langs de Rode Beek een hoogtepunt beleefde.

Brunssum als heerlijkheid en deel van het graafschap Amstenrade (1559 - 1798) 

Op 28 januari 1559 werd de toenmalige heerlijkheid en schepenbank Brunssum voor 2260 Hornse gulden, door de altijd in financiële nood verkerende Filips II, verpand aan Werner Huyn van Amstenrade. Voor dat geld mocht Werner Huyn zich Heer van Brunssum noemen, de gehele rechtspraak werd hem toevertrouwd en hij kreeg het jacht- en het visrecht. Op 20 augustus 1609 kocht zijn zoon Arnold Huyn, die ook reeds de heerlijkheid Amstenrade in bezit had, de heerlijkheid Brunssum definitief. De heerlijkheid Brunssum werd in 1654 samengevoegd met Schinveld, Jabeek, Oirsbeek, Amstenrade, Bingelrade en Merkelbeek tot het graafschap Amstenrade. Tegelijkertijd werd ook de heerlijkheid Geleen, dat bestond uit Geleen en Spaubeek, tot graafschap omgevormd. Administratief was de voormalige heerlijkheid Brunssum verdeeld in drie eenheden; Brunssum, Jabeek en Schinveld. De twee laatstgenoemde waren administratief-bestuurlijk volkomen zelfstandig. Ze konden bijvoorbeeld schulden aangaan en hadden eigen administratieve ambtenaren. 

Schepenbank Brunssum

Het grondgebied van de schepenbank Brunssum bestond uit de parochie’s Brunssum, Jabeek en Schinveld. Deze schepenbank had hoge jurisdictie. Beroep op de uitspraken in de civiele rechtspraak werden behandeld door de hoofdbank Heerlen. De verkoop van de  schepenbank in 1609 aan Arnold Huyn van Amstenrade-Geleen en de inlijving in 1654 van Brunssum bij het graafschap Amstenrade-Geleen veranderde weinig in de werking van de schepenbank. Administratief was het gebied der schepenbank verdeeld in drie eenheden; Brunssum, Jabeek en Schinveld. De twee laatstgenoemde waren administratief-bestuurlijk volkomen zelfstandig. Ze konden bijvoorbeeld schulden aangaan en hadden eigen administratieve ambtenaren. De bevolking van Brunssum bestond in het jaar 1795 uit 966 personen. Dit aantal was (tijdelijk?) verminderd omdat sommige inwoners elk jaar naar Holland, Brabant, of andere landen gingen om daar koophandel te drijven of er te werken. De bevolking was verdeeld over Brunssum en zijn beide gehuchten Rumpen en Op de Kling. Jabeek had toen met het gehucht Etzenrade 432 en Schinveld 153 inwoners.

Brunssum kende rond 1800 een kortstondig bloeiende metaalnijverheid. De plaats bleef  tot aan het begin van de twintigste een kleine gemeenschap met een overwegend agrarisch karakter. De komst van de mijnen bezorgde Brunssum een sterke groei, mede door de aanleg van de mijnwerkerskoloniën Egge en Treebeek.

Herkomst naam: 

Brunssum is in het verleden geschreven als Bronzen, Brunsem, Brunsham, Brunshamme en Bruijnshem. Het is een samenvoeging van “Brun” en “Ham”. Ham betekent een omheind stuk land, een hoek aangeslibt land of een grasland aan een water. Het Brun of Bruijn staat voor de persoonsnaam Bruno.

Nadere bronnen en literatuur: