Bierbrouwerijen

De wijze waarop bier wordt gebrouwen, is sinds de Germanen granen als grondstof gingen gebruiken niet wezenlijk meer veranderd. In dit proces worden de granen (meestal gerst) eerst tot kiemen gebracht. Na een korte tijd van kieming worden de granen gedroogd met hete lucht. Door dit proces, dat eesten heet, wordt mout gevormd. [image1:small:left]De mout wordt daarna geplet of vermalen en met water vermengd waardoor het zogenaamde “wort” ontstaat. Dit mengsel wordt verhit en gaat daarna in principe spontaan gisten, waardoor alcohol ontstaat. Aan dit mengsel werden voor, tijdens of na de gisting verschillende kruiden toegevoegd zoals jeneverbes, gember, kummel en/of anijs.

In de vroege middeleeuwen werd bier in de regel gewoon thuis gebrouwen, voor eigen consumptie. Later zou deze huisnijverheid afnemen en zou bier gebrouwen gaan worden door gespecialiseerde brouwers. Deze verschuiving werd mede in de hand gewerkt door het gebruik van hop in het brouwproces. Dit gebeurde voor het eerst aan het eind van de dertiende eeuw. Het bier was door het gebruik van hop langer houdbaar en werd frisser van smaak. Ook werd vanaf de veertiende eeuw, in plaats van de gebruikelijke spontane gisting, gist toegevoegd aan het brouwmengsel. Door deze innovaties kon er sneller en meer gebrouwen worden. Het bier kon ook, door de langere houdbaarheid, over grotere afstanden getransporteerd worden. Bier werd daarmee een handels- en exportproduct.

Overigens moet deze schaalvergroting niet overdreven worden. Naar huidige begrippen was de schaal waarop werd gebrouwen nog steeds klein. In Limburg had bijna ieder dorp wel een eigen brouwerij of panhuis, zoals ze in oude archiefstukken wel worden genoemd. In Wijlre staat al sinds 1340 zo’n panhuis, het zou de basis vormen voor de latere brandbrouwerij. Te Mechelen werd rond 1730 een zogenaamde dwang-brouwerij gebouwd. Het brouwen van bier was vaak gebonden aan allerlei rechten en plichten. Je mocht in die tijd niet zomaar bier brouwen voor de verkoop. Die toestemming kon je krijgen, pachten of kopen. In Mechelen was het zelfs zo dat alle inwoners alleen bier mochten kopen van deze dwang-brouwerij. Bier van buiten Mechelen mocht dus niet worden “geimporteerd”. Een ander bekend panhuis is gelegen te Wijnandsrade (gemeente Nuth). Dit panhuis, dat naast brouwerij tevens herberg en winkel was, werd halverwege de achttiende eeuw bewoond door brouwer Hendrik Ritzen. Bekendheid geniet Hendrik echter niet zozeer als brouwer of herbergier maar als slachtoffer. Zijn brouwerij annex herberg werd namelijk in de nacht van 19 op 20 april 1762 overvallen door de mythische bokkenrijders.

Gedurende de negentiende en begin twintigste eeuw nam het aantal brouwerijen zeer snel af. Deze teloorgang werd voornamelijk veroorzaakt door veranderingen in het brouwproces. Een daarvan was de omschakeling van hoge gisting naar lage gisting. Tot 1900 werd de gisting van het bier uitgevoerd bij kamertemperatuur. Dergelijk bier wordt bovengistend genoemd, omdat de gist komt “bovendrijven”. Vanaf 1900 wordt bier echter bij lage temperaturen, ca. 8 graden, vergist. Dit wordt ondergistend bier genoemd. Het zogenaamde pils wordt hierdoor frisser van smaak en is langer houdbaar. Daarnaast werd stoomkracht geïntroduceerd in het brouwproces waarmee pompen en machines werden aangedreven. Dit werden de zogenaamde stoombierbrouwerijen.

Door deze ontwikkelingen konden brouwerijen grotere hoeveelheden bier produceren, maar werd het brouwen van bier wel kapitaalintensiever. Het gevolg van deze ontwikkelingen laat zich raden. De hoeveelheid brouwerijen nam in een rap tempo af. In 1907 telde de provincie Limburg nog in totaal 181 brouwerijen die samen ongeveer 250.000 hectoliter bier produceerden. In 1921 waren dit er nog 79 en in 1936 waren er nog maar 25 brouwerijen.

De Brand Bierbrouwerij
Wijlre was van oudsher een rijksheerlijkheid en het brouwen van bier mocht enkel gebeuren in het banpanhuis, de eigen brouwerij van de heer van de heerlijkheid. Brouwen in een andere brouwerij op het grondgebied van Wijlre was dus verboden. Ook het importeren van bier was verboden. De leiding van een banpanhuis was in handen van de penner. Hij moest zowel brouwen als het bier verkopen. Hij was verplicht de mogelijkheid aan te bieden dat inwoners op de pof mochten kopen, op krediet dus. Uiteraard waren de inkomsten voor de heer. Het oude panhuis van Wijlre moet naar alle waarschijnlijkheid gelegen hebben naast de pastorie. Rond 1776 werd de bekende watermolen van Wijlre verbouwd. Aan deze molen, die al eeuwen in bezit was van de heren van Wijlre, werd een boerderij en een nieuw panhuis verbonden.De pachter die op de molen woonde en werkte was dus zowel molenaar, boer en brouwer. In 1828 komt de brouwerij met boerderij en molen in handen van de familie de L’Ortye, waarvan de zoon Joseph van 1854 tot 1866 tevens burgemeester van Wijlre zou worden. In 1871 verkocht Joseph de Lórtye de brouwerij en boerderij los van de molen aan de brouwer Frederik Edmond Brand. Frederik kwam in 1873 in Wijlre wonen en hij werd door zijn vrouw Anna Josepha Pluymaekers geholpen bij de exploitatie van het bedrijf. Aanvankelijk moest de omzet voornamelijk komen van de kerkgangers. De trap vanuit de Gertrudiskerk leidde rechtstreeks naar het brouwerijcafé. Toen de pastoor de trap naar de kerk verlegde deed het verhaal de ronde dat daardoor de omzet terug liep en de familie Brand op een andere manier naar verhoging van de afzet moest gaan zoeken. Archiefonderzoek heeft aangetoond dat dit verhaal onjuist was. De produktie van het bedrijf was rond 1880 2156 hectoliter en in 1892 was deze circa 10 procent toegenomen. De Brand Bierbrouwerij was daarmee veruit de grootste brouwerij in Limburg. Er werd door de brouwerij ongeveer 80% vers bier, ongeveer 15% aan oud bier en 5% aan lager-, middel- en schutbier verkocht.

Na de dood van Frederik Edmond is  Anna Josepha Pluymaekers zelfs enige tijd directeur van het bedrijf dat in die jaren onder de naam “Firma Weduwe Brand” bekend staat. In 1901 wordt, na het overlijden van Anna Josepha, het bedrijf overgenomen door twee zoons, Henri en Mathieu Brand. Zij moderniseren de brouwerij onder andere door de invoering van stoomkracht en er werd overgeschakeld op de ondergistingsmethode. Het bier werd gegist bij lagere temperaturen wat de kwaliteit en houdbaarheid van het bier ten goede kwam. De productie van de brouwerij bleef stijgen en de familieleden Brand hadden het plan opgevat om de Maastrichtse markt over te nemen. Men kocht cafés aan en er werd een bottelarij te Maastricht geopend. Door een gebrek aan gerst kelderde de productie gedurende de Eerste Wereldoorlog, maar daarna kwam de opleving weer. Maastricht zou de grootste afnemer blijken van de Brand Bierbrouwerij. Ruim 40% van de clientèle was in Maastricht gevestigd. Henri en Mathieu worden door hun zoons opgevolgd, Frits Brand, zoon van Henri in 1927, August en Jan Brand, zonen van Mathieu Brand in respectievelijk 1928 en 1937. Hierna startte een spectaculaire groei van de brouwerij, er werd een nieuwe brouwerij met de modernste apparatuur gebouwd en de brouwcapaciteit werd verdubbeld. Het Brand bier werd daarna tot ver buiten de Limburgse provinciegrenzen verkocht. Na een vermindering van productie in de oorlogsjaren werd in de nadagen van de oorlog (september 1944 – augustus 1945) de toch al verminderde bierproductie vrijwel geheel opgeëist door de Amerikaanse bevrijders. De productie kwam na de oorlogsjaren moeizaam op gang. Pas rond de jaren vijftig nam de bierconsumptie weer toe. De introductie van het Brand Up in 1952, een speciaal bier van Brand naar eigen receptuur, sloeg in als een bom. Brand was de eerste brouwerij in Nederland dat met een eigen speciaal biert kwam. In de jaren daarna werd de brouwerij wederom uitgebreid. De gist- en lagerkelders werden vergroot en in 1966 werd een vierde brouwketel gebouwd. Voor de uitbreiding kocht Brand de zeven aangrenzende woningen en de oude pastorie op. Deze gebouwen werden verbouwd, doch de eigen stijl bleef behouden. In deze gebouwen, die nog duidelijk herkenbaar zijn, werden de kantoren gevestigd.

Zowel in fysisch, als in economisch en maatschappelijk opzicht is de brouwerij van grote betekenis geweest voor het dorp Wijlre. In 1971 had de brouwerij 175 werknemers in dienst. In 1980 werd er een volledig nieuwe tweede brouwzaal gebouwd naar een ontwerp van architect Salemans. Deze is omgeven door een bijzondere natuurtuin.

Gulpener Bierbrouwerij
In 1825 werd door Laurens Smeets te Gulpen, aan de nieuwe rijksweg van Maastricht naar Vaals, de Gulpener Bierbrouwerij, "de Gekroonde Leeuw” opgericht. Deze gekroonde leeuw is nog steeds terug te zien in het etiket van de brouwer. Vanaf 1840 werd er aan de bierbrouwerij ook een distilleerderij en een wijnhandel toegevoegd. In de eerste jaren groeit de afzetmarkt snel. De afzetmarkt werd vooral gevonden in de directe regio en verliep via diverse horeca-gelegenheden. 

Na enkel succesvolle jaren werd het bedrijf  overgedragen aan Jan Smeets, de zoon van Laurens. Jan was niet alleen een succesvol ondernemer en brouwer. Hij zou zich ook in de Limburgse politiek mengen en wel als gedeputeerde van het provinciaal bestuur van Limburg. Het bedrijf wordt eind negentiende eeuw overgenomen door beide zoons Guillaume en Edmond Smeets en door hun schoonzoon Jan Renier Eduard Rutten. Onder hun bestuur werd er aan de brouwerij annex distilleerderij in 1870 een branderij toegevoegd. Na dit meerhoofdige bestuur werd het bedrijf voortgezet door de nakomelingen van Jan Renier, waarna het bedrijf voor lange tijd in handen van leden van de familie Rutten zou komen.  

De naam werd gewijzigd in "Rutten’s bierbrouwerij De Zwarte Ruiter". Een naam waar een horecagelegenheid in het centrum van Gulpen nog aan herinnert. De naam Zwarte Ruiter werd aanvankelijk verkocht, maar werd in de twintigste eeuw weer teruggekocht. Onder die brouwersnaam werd het speciaal bier “Mestreechs Aijt” gebrouwen en verkocht. In 1880 werd nog een azijn- en mosterdfabriek toegevoegd aan het bedrijf en in 1884 werd een stoommachine aangeschaft. Deze eerste vorm van modernisering maakte het mogelijk dat de brouwerij naast het reeds gebrouwde hooggistende bier ook laaggistend pilsener kon brouwen. Begin twintigste eeuw was de afzetmarkt, van een beperkt lokale regio, uitgegroeid met enkele afzetpunten in de rest van Nederland. Een verdere groei werd echter door de Tweede Wereldoorlog verhinderd. In navolging van de Brand Bierbrouwerij lanceert de Gulpener brouwerij een speciaal bier, Gulpener Dort, dat er voor zorgt dat de naam van de brouwerij meer dan regionaal bekend wordt. Distributie blijft echter nog steeds beperkt tot de provincie Limburg. In 1966 werd de brouwerij ingrijpende verbouwd en kreeg het complex, en met name het brouwhuis, zijn huidige karakteristieke uiterlijk. Kort daarna, in de zeventiger jaren, richtte de brouwerij zich op een ander image en wel dat van de ambachtelijke brouwer met gebruik van eerlijke ambachtelijke ingrediënten. Er werd gestart met het brouwen van meerdere speciaalbieren.  

Het afzetgebied breidt zich pas sinds 1985 uit. Vanaf dit moment wordt er geleverd boven de grote rivieren. In 1996 koopt de Grolsche Bierbrouwerij een belang van 15% in de Gulpener Bierbrouwerij, waardoor er een efficiëntere wijze van marketing op het gebied van speciaalbieren ingezet kan worden. Kort daarna start de Gulpener Bierbrouwerij een unieke samenwerking met akkerbouwers uit de directe omgeving. Alle bieren worden bereid met door mergel gezuiverd water en de granen worden geleverd door landerijen in de omgeving. De bierbrouwerij is te bezoeken middels rondleidingen die uiteraard worden afgesloten met een proeverij.

Andere brouwerijen in deze regio waren: 
Brouwerij J. Houckens, Heerlen, gesloten ca.1900;
Brouwerij De Kroon, Heerlen, gesloten ca. 1915;
Stoombrouwerij Gambrinus, Heerlen, gesloten ca.1915
Brouwerij J. Meentz & Co, Simpelveld, gesloten ca. 1920;
Brouwerij W. Willems, Voerendaal, gesloten ca. 1935;
Brouwerij W. Smeijsters, Nuth, gesloten ca. 1935;
Brouwerij L. Moulen, Voerendaal, gesloten ca. 1935;
Brouwerij De Klomp, Heerlen, gesloten ca. 1935.

Nadere bronnen en literatuur: