Onze archieven en collecties

« Terug naar Rijckheyt
Uw zoekacties: Historische bibliotheek
xT201 Gemeente Klimmen
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

T201 Gemeente Klimmen
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Korte schets van de ontwikkeling van het bestuur en het gebied (1.1.)
T201 Gemeente Klimmen
1. Inleiding
Korte schets van de ontwikkeling van het bestuur en het gebied (1.1.)
Klimmen heeft lang als schepenbank gefungeerd. Op 14 november 1794 werd in het gehele door de Fransen bezette gebied tussen Maas en Rijn een nieuwe regeling voor de bestuursorganisatie in het leven geroepen.
Het gebied werd verdeeld in negen arrondissementen, waarbij in Aken de Centrale Administratie werd gevestigd.
Klimmen behoorde tot in 1794 tot de generaliteitslanden. Die landen werden bij het vredesverdrag van Den Haag van 16 mei 1795 overgenomen van de Bataafsche Republiek en samengevoegd met het land van Luik, Oostenrijks Gelderland en andere Oostenrijkse bezittingen.
Er kwam een nieuwe territoriale indeling tot stand (31-08-1795), als voorbereiding op de geplande inlijving bij Frankrijk. Het arrondissement Maastricht werd vergroot en als "Departement van de Nedermaas" ingedeeld in 30 kantons. Het departementale bestuur en de centrale administratie werd te Maastricht gevestigd.
Klimmen behoorde tot het kanton Valkenburg. In 1796 vond er welliswaar een herindeling van kantons plaats, maar Klimmen zou vanaf 3 maart 1796 tot aan de opheffing van het kanton door de wet van 28 pluviôse an VIII (17 februari 1800) behoren tot het kanton Valkenburg. *  Deze kantonale bestuursorganisatie bleef dus slechts enkele jaren bestaan.
Ingevolge de eerdergenoemde wet van 17-02-1800 veranderde de organisatie van het bestuur.
De gemeenten beneden de 5000 inwoners kregen hun bestuursbevoegdheden, die hen in augustus 1795 waren ontnomen, maar daarna onder toezicht van de prefect van het departement uitoefenden, weer terug.
Klimmen werd een aparte gemeente, met een eigen bestuur, met aan het hoofd een maire en naast hem een adjoint en een gemeenteraad.
Na de nederlaag van Napoleon in 1813 waren de Franse legers gedwongen zich terug te trekken om de Franse grenzen te verdedigen en begon in Europa een herindeling van staten en staatjes. Begin 1814 trokken de Fransen zich uit het Departement van de Nedermaas terug. Maastricht bleef echter tot 5 mei 1814 bezet door de Fransen, voordat het aan de Prins van Oranje werd overgegeven.
Bij het traktaat van Bazel (12-01-1814) was het Departement van de Nedermaas op 16 februari 1814 ingedeeld bij het gouvernement generaal van de Nederrijn, met Aken als residentie.
Het congres van Wenen (september 1814 tot juni 1815) bepaalde in februari 1815 de nieuwe grenzen van onze provincies. Ingevolge de grondwet van 1815 werd Limburg als provincie in het Koninkrijk der Nederlanden opgenomen. De grondwet eiste, dat de wijze van samenstelling van de stedelijke besturen en van die op het platteland moest worden geregeld bij reglementen.
Het reglement van bestuur voor het platteland werd bij Koninklijk Besluit van 14 februari 1818 vastgesteld. Elke plattelandsgemeente in Limburg kreeg ingevolge dit reglement een door de koning benoemde schout aan het hoofd.
Het plaatselijk bestuur bestond verder uit twee schepenen, benoemd door gedeputeerde staten uit de leden van de gemeenteraad, uit een dubbeltal, op voordracht van de raad. De gemeenteraad werd benoemd door Gedeputeerde Staten, voor de eerste keer onmiddellijk en vervolgens op voordracht van de raad uit een opgave van een dubbeltal kandidaten.
De leden van de plaatselijke besturen werden benoemd voor zes jaar en waren steeds herbenoembaar. De vernieuwing van de raadsleden gebeurde bij derde gedeelten. D.w.z. om de twee jaar trad een derde gedeelte van de raad en een schepen af, terwijl de schout met het laatste derde gedeelte aftrad.
Bij het nieuwe reglement op het bestuur ten platte lande in de provincie Limburg, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 23 juli 1825 no. 132, veranderden de benamingen van schout en schepenen in burgemeester en assessoren (wethouders).
Koning Willem I heeft in de periode 1815-1830 getracht de Nederlanden Noord en Zuid tot een hechte staat te maken, waarin alle Nederlanders zich thuis konden voelen. Maar zijn bestuur was sterk autocratisch getint en op een krachtig centraal gezag gericht. Juist die autocratische houding van de koning viel slecht in Limburg, waar men veel waarde hechtte aan de eigen lokale en regionale gemeenschap. * 
Na de Belgische opstand in 1830 kwam de provincie Limburg onder Belgisch bestuur. Als gevolg van de afscheiding van Nederland kwam een nieuwe bestuursregeling voor de plattelandsgemeenten tot stand. Ingevolge het besluit van de voorlopige Belgische regering van 8 oktober 1830 moesten de notabelen-de burgers die een bepaalde belastingsom betaalden en de burgers die een vrij beroep uitoefenden-een burgemeester, assessoren en raadsleden kiezen. Termijnen van benoeming werden niet vastgesteld. * 
Op maandag 25 oktober 1830 om 09.00 uur kwamen 42 bevoegde ingezetenen van de gemeente Klimmen bijeen voor de benoeming van een burgemeester, assessoren en de leden van het plaatselijk bestuur te kiezen. Deze groep notabelen bestond uit 39 landbouwers, de notaris Jan Willem Willems, de pastoor Hendrik Schoenmaekers en de kapelaan Joannes Schoenmaekers. Deze vergadering werd gehouden onder voorlopig voorzitterschap van het oudste lid in jaren Joannes Nepomesenus Vaassen, bijgestaan door de vier in belasting hoogst aangeslagen leden als voorlopige stemopnemers. Deze vier leden waren Francis von Furth, Jan Mathias Horsmans, Jan Willem Schoenmaekers en Jan Willem Ramaekers. De laatste was de jongste in jaren en werd benoemd tot voorlopig secretaris van de verkiezingsprocedure. Dan volgde de verkiezing van het eigenlijke stembureau. Hiervan werd Jan Rietra met 9 stemmen gekozen tot president en als stemopnemers Antoon van den Hoff, Caspar Habets, Jan Willem Souren en Godfried Stassen, terwijl Pieter Caspar Laeven tot secretaris van het stembureau werd gekozen. De volgende stap in de procedure was de verkiezing van de burgemeester.
Hierbij werd Jan Pieter Laeven met 20 stemmen gekozen tot burgemeester. Hij bekleedde voorheen al de functie van gemeente-ontvanger. Zijn medekandidaten liet hij ver achter zich, Jan Mathias Horsmans kreeg 8 stemmen, Franciscus von Furth 6 stemmen, Jan Willem Schoenmaekers 5 stemmen, Caspar Ubaghs 2 stemmen en Willem Dortu 1 stem.
Verder werden nog de twee assessoren gekozen. Hierbij wist Jan Mathias Horsmans 20 stemmen te vergaren en Jan Lambert Beugels 13 stemmen, waardoor beide benoemd werden.
Tot slot werden nog vier leden voor de gemeenteraad gekozen. De uitslag van de verkiezing leverde op, dat Gerardus Stassen met 10 stemmen, Jacob Antoon Pluijmen met 9 stemmen, Wijnand Joseph Vaassen met 7 stemmen en Godfried Stassen met 6 stemmen werden gekozen tot leden van de raad.
In de vergadering van 3 november 1830 aanvaardden zij hun functie en verklaarden zij hun trouw aan het voorlopig gouvernement van België. * 
Het merendeel van de Limburgse bevolking stond positief tegenover het Belgische bewind in de jaren 1830-1839. Men had meer politieke vrijheid, een gematigde belastingheffing en geen kerkelijke problemen. Op het platteland had men nog het voordeel, dat men betere prijzen voor landbouwprodukten kon bedingen.
Het besluit van het voorlopig gouvernement van 28 oktober 1830 bepaalde, dat de gemeentesecretaris zou worden benoemd door de leden van de gemeenteraad en de ontvanger van de gemeente door de gouverneur van de provincie uit een voordracht van 3 kandidaten door de gemeenteraad. * 
Op woensdag 8 december 1830 werd eenstemmig Pieter Laeven tot secretaris van het plaatselijk bestuur benoemd. Op 10 februari 1831 kwam de raad weer bijeen om te besluiten, dat er een aanvraag werd ingediend om de functies van Jan Pieter Laeven, die als nieuwe burgemeester was benoemd van de raad en sinds 1820 al de functie van secretaris had uitgeoefend te verenigen, omdat er buiten de leden van de raad geen personen in de gemeente Klimmen aanwezig waren, die de vereiste bekwaamheid bezaten om de functie van secretaris te willen en kunnen uitoefenen. * 
Op 1 februari 1831 werd besloten om Jacob Antoon Pluijmen, Nepomesenus Vaassen en Joannes Horsmans op de voordracht als gemeente-ontvanger te plaatsen. Bij besluit van 24 februari 1831 van de gouverneur werd Joannes Horsmans benoemd tot gemeente-ontvanger. * 
Met de Belgische gemeentewet van 30 maart 1836 traden nieuwe bepalingen in werking en vervielen de vorige besluiten van de regering. *  Er bestond geen onderscheid meer tussen stad en platteland. De gemeenteraad en niet meer de burgemeester werd op de voorgrond geplaatst. De raad werd rechtstreeks gekozen door de belastingbetalende inwoners (censuskiesrecht), terwijl de burgemeester en schepenen door de koning uit de leden van de raad werden benoemd. De zittingstermijn van de raad, burgemeester en schepenen was zes jaar. Om de drie jaar trad de helft van de raadsleden en schepenen af. De schepenen zouden voor de helft bij de eerste reeks behoren, voor de andere helft bij de tweede, alsmede de burgemeester.
Het aantal raadsleden, inclusief de burgemeester en schepenen, bedroeg 7 voor de gemeenten met minder dan 1000 inwoners, 9 in gemeenten met 1000-3000 inwoners.
De vergaderingen van de raad werden openbaar. De huishouding van de gemeente werd aan de raad overgelaten.
De gemeentesecretaris zou door de gemeenteraad worden benoemd, hetgeen wel moest worden goedgekeurd door de Députation Permanente du Conseil Provincial.
Op 15 november 1836 vond de installatie plaats van de nieuwe gemeenteraad bestaande uit negen personen. *  Bij Koninklijk Besluit van 14 oktober 1836 werden Jan Petrus (Pieter) Laeven tot burgemeester en Jan Petrus Ramaekers en Casparus Ubachs tot assessoren benoemd.
De overige leden van de raad werden Jan Mathias Horsmans, Joannes Rietra, Jan Mathias Benders, Jan Lambert Beugels, Jan Willem Janssen en Mathias Winthagen.
De functie van gemeentesecretaris bleef Jan Pieter Laeven uitoefenen, terwijl Joannes Horsmans gemeente-ontvanger bleef en wel tot in 1840.
In 1837 legde J.P. Pluijmaekers de eed af als nieuwe gemeentesecretaris, welk ambt hij bleef uitoefenen tot in 1852.
Op 22 juni 1839 werd Limburg ingevolge het Londens tractaat van 19 april 1839 door de Nederlandse koning Willem I weer in bezit genomen. Na de opname van Limburg als hertogdom in de Duitse bond op 5 september 1840, werd de Nederlandse grondwet bij Koninklijk Besluit van 24 september 1840 voor Limburg van kracht verklaard. * 
Voordien waren al voorlopige bestuursmaatregelen getroffen, o.a. dat alle ambtenaren en leden van de gemeentebesturen hun functies bleven uitoefenen.
Nadat de Nederlandse grondwet van kracht werd verklaard, kwamen verschillende wetten betreffende het plaatselijk bestuur in de provincie tot stand. De burgemeester bleef benoemd door de koning. De schepenen werden benoemd door de commissarissen belast met het voorlopig bestuur en later door de staatsraad van het hertogdom. De raadsleden werden benoemd door de commissarissen belast met het voorlopig bestuur en vanaf 28 september 1841 door Gedeputeerde Staten. De secretaris werd benoemd door de koning en de ontvanger door de commissarissen belast met het voorlopig bestuur en later door de staatsraad gouverneur van het hertogdom.
Het grondgebied van Klimmen onderging in 1841 een kleine correctie. Samen met de gemeente Hulsberg werd het verzoek gedaan om bij het beekje de Vissegracht, dat ook grensde aan de gemeente Wijnandsrade, een grenscorrectie toe te passen m.b.t. de goederen van de pachthof Vissegracht en die van de erfgenamen Vaassen. Bij Koninklijk Besluit van 11 augustus 1841 no. 270 werd dit goedgekeurd. * 
Na de inwerkingtreding van de Gemeentewet 1851 kwam een verandering in de vorming en samenstelling van het bestuur en haar functionarissen. Door de grondwet van 1848 en de daaruit voorkomende gemeentewet van 29 juni 1851, stbl. no. 85, werd de raad aan het hoofd van de gemeente gesteld. Het bestuur van de gemeente bestond uit een gemeenteraad, een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester.
Het aantal gemeenteraadsleden voor gemeenten beneden 3000 inwoners bedroeg zeven, onverschillig of de burgemeester al dan niet lid is van de raad.
In november 1851 bedroeg het aantal inwoners van Klimmen 1080. * 
Leden van de raad waren toen J.P. Laeven als burgemeester, tevens lid van de raad, J.J. Beugels en J.W. Jacobs als wethouders en als leden F.J. Boshouwers, G. Stassen, J.P. Ramaekers en C. De Limpens. * 
De leden van de raad werden gekozen uit door belasting betalende inwoners (censuskiesrecht) en hadden zes jaar zitting. Een derde van hen trad om de twee jaar af, maar was weer herkiesbaar. De wethouders werden door de raad uit zijn midden benoemd. De helft trad om de drie jaar af en was herkiesbaar. De burgemeester werd door de koning benoemd voor de tijd van zes jaar en kon daarna weer worden herbenoemd.
De gemeentesecretaris werd door de raad op voordracht van het college van burgemeester en wethouders benoemd, geschorst of ontslagen. De tot secretaris benoemde burgemeester werd als zodanig niet dan met goedkeuring van de Kroon geschorst of ontslagen. De gemeente-ontvanger werd eveneens door de raad op voordracht van burgemeester en wethouders benoemd, geschorst of ontslagen.
De grondwet van 1848 en de gemeentewet van 1851 zijn ondanks vele wijzigingen tot op heden de grondslag gebleven voor de samenstelling van het plaatselijk bestuur.
In artikel 2 van de gemeentewet van 1851 is bepaald, dat het ambt van gemeentesecretaris in gemeenten van 5000 zielen en daar beneden, waar Gedeputeerde Staten het nuttig oordelen, door de burgemeester dient te worden bekleed. In Klimmen werd in 1852 echter wel weer een nieuwe gemeentesecretaris benoemd in de persoon van J.H. Eussen, die sedert 1847 de functie van gemeente-ontvanger uitoefende. Deze beide functies bekleedde hij tot in 1875.
Later is er alleen nog vanaf 1875 tot in 1896 een cumulatie van functies geweest, waarbij de functie van burgemeester en secretaris gelijktijdig werden uitgeoefend door J. Schoenmaekers.
Het stelsel van verkiezingen heeft in de loop der tijd ook wijzigingen ondergaan. Behalve omtrent het actief kiesrecht geeft de grondwet sinds 1887 ook voorschriften omtrent het passief kiesrecht (het recht om gekozen te worden). Het stelsel van rechtstreekse verkiezing van raadsleden door bepaalde belastingbetalers werd in 1896 verruimd door de kieswet van Houten. Deze kende vele categorieën kiezers: belasting-, woning-, loon-, pensioen-, grootboek-, spaarbank- en examenkiezers. In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht van kracht en in 1919 het algemeen vrouwenkiesrecht.
Vanaf 1919 is de zittingsduur van de raadsleden 4 jaar en is de periodieke aftreding van een derde om de 2 jaar vervallen.
Klimmen heeft ook lange tijd geen gemeentewapen gekend. In september 1903 laat de rijksarchivaris in Limburg het gemeentebestuur een schets toekomen van het nieuwe gemeentewapen.
Bij Koninklijk Besluit van 24 december 1903 werd aan de gemeente Klimmen een eigen wapen verleend. Het wapen *  werd omschreven als:
gevierendeeld I en IV in azuur negen leliën van goud, geplaatst in drie rijen van drie; II en II in goud een dubbele adelaar van sabel, geklauwd en getongd van keel, de beide koppen omgeven door een kring van goud, de adelaar overtopt door de Keizerlijke Kroon van goud; over alles heen, als hartschild van dit wapen (hetwelk is dat der voormalige Benediktijnen-abdij van Reims), het wapen der Heeren van Valkenburg, zijnde in zilver een dubbelgestaarte leeuw van keel, gekroond en geklauwd van goud; het schild gesteund tegen de daarachter geplaatste figuur van den H. Remigius, staande op een grasgrond, met gelaat en handen van natuurlijke kleur, gekleed in een bisschoppelijk gewaad van zilver, waarover een met gouden kruisjes versierd pallium van zilver, het hoofd gedekt door een mijter van zilver met een kruis en omboordsel van goud en omgeven door een nimbus van hetzelfde; de Heilige houdt in de opgeheven rechterhand de heilige ampulla van goud waarboven zweeft de legendarische duif van zilver, volgens liturgische voorstelling, en in de opgeheven linkerhand een bisschopsstaf van goud.
De motivatie van de afbeelding voert ons naar de afbeelding van het zegel van de voormalige schepenbank Klimmen, waarop de H. Remigius is afgebeeld. De H. Remigius was bisschop van Reims en kerkpatroon van Klimmen. Voor zich hield hij een wapenschild van de heerlijkheid, later graafschap Valkenburg. Zeker een reden om deze afbeelding in het wapen op te nemen. Ook het opvoeren van de Benediktijnen-abdij van Reims is te verklaren. Uit de schenkingsakte van Koningin Gerberga in 968 blijkt, dat Klimmen een bezitting van de proosdij van Meerssen, afhangende van de Benediktijnen-abdij van Reims, is geweest. Van deze proosdij waren de heren van Valkenburg voogd, die in deze hoedanigheid de criminele justitie uitoefenden, maar later zich de soevereiniteit van Klimmen hebben aangematigd. Dit alles geeft aan dat Klimmen een relatie had met Meerssen.
Omtrent het grondgebied van de gemeente Klimmen ontstond in 1920 een plan tot samenvoeging. *  De gemeenten Klimmen, Hulsberg, Schin op Geul en Wijnandsrade zouden tot een nieuwe gemeente Klimmen-Hulsberg worden samengevoegd, terwijl een gedeelte van Klimmen zou komen te behoren tot de gemeente Hoensbroek-Nuth. Hiertegen ontstond nogal verzet en de plannen vonden geen doorgang. Plannen tot grenswijziging waren in 1938 weer aan de orde. *  Een aantal jaren later, namelijk in het voorjaar van 1941 waren er weer samenvoegingsplannen en nu voor de gemeenten Klimmen, Hulsberg en Wijnandsrade. *  De raad van de gemeente berichtte op 6 maart 1941 aan Gedeputeerde Staten, dat hij het niet geheel eens was met de stellingname en adviezen van de gemeente Wijnandsrade. Het advies van de raad van Hulsberg gaf geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. De raad van de gemeente Klimmen gaf nog een aantal oplossingen voor problemen, zoals de bouw van een eventueel nieuw gemeentehuis op de grens met de gemeente Hulsberg, ter plaatse bekend als Overheek, zijnde het meest centraal gelegen punt van de drie gemeenten. Tevens vond de gemeenteraad het zeer gewenst een gedeelte van Valkenburg namelijk het gedeelte Ravensbosch tot de nieuwe gemeente te laten behoren. Unaniem sprak de gemeenteraad zich uit voor de samenvoeging. Deze verandering voor de gemeenten ging echter niet door.
In de tijd van de Duitse bezetting veranderde het bestuurlijk gezien het een en ander. De werkzaamheden van de raad, het college van burgemeester en wethouders en die van de burgemeester werden stopgezet. Hun taak werd waargenomen door de burgemeester. In Klimmen bleef de in 1938 benoemde burgemeester M.A.H.A. Kerckhoffs de taken waarnemen vanaf 16 september 1941 tot 22 november 1944. Vanaf dat tijdstip t/m 27 augustus 1945 zijn er weer besluiten van het college van burgemeester en wethouders ter waarneming van de taak van de raad. * 
Bij Koninklijk Besluit van 12 april 1945 staatsblad F 45 werden aan zogenaamde tijdelijke gemeenteraden gedeeltelijk de bevoegdheden toegekend tot het tijdstip waarop de gemeenteraden weer op de bij de wet voorgeschreven wijze zouden worden samengesteld. * 
De leden van de tijdelijke raad werden niet gekozen door alle personen, die in de gemeente kiesgerechtigd waren, maar door de leden van een hiertoe ingesteld kiescollege. De gang van zaken werd als volgt geregeld. De burgemeester, bijgestaan door een commissie van tenminste drie door hem gekozen vertrouwensmannen uit de inwoners der gemeente, maakte een aanbeveling op van leden voor het kiescollege tot een getal van het drievoud van het door de gemeente vastgestelde aantal raadsleden.
De Commissaris der Koningin in de provincie, bijgestaan door een commissie van vijf leden, benoemde de leden van het kiescollege. Dit gebeurde bij besluit van 19 juni 1945, waarbij 21 personen werden benoemd.
Bij de vaststelling van de verkiezingsuitslag op 10 juli werden gekozen van lijst 1 de heren G.H.J. Mohr, L.A. Boshouwers, J.W. Ramaekers en H.J. Winthagen en van lijst 3 de heren P.H. Steijns en J.C. Meurders. De gekozene en de plaatsvervangers van lijst 2 namen hun benoeming niet aan en zodoende moet geconstateerd worden dat de raad zou bestaan uit zes leden en dus niet voltallig was.
Op 29 juli 1946, na de reguliere verkiezingen, werden de volgende personen in de gemeenteraad benoemd: L.A. Boshouwers, F.L. Eussen, J.H. Moonen, J.J. Peukens, J.W. Ramaekers, P.H. Steijns en M.H. Lipsch.
In 1947 werd de raad door Gedeputeerde Staten in kennis gesteld van een zodanige grenswijziging, dat het dorp Ransdaal geheel van de gemeente Wijlre deel uit zou gaan maken. *  De moeilijkheden in verband met het beheer en het onderhoud van de wegen en de afwatering van de waterlossingen te Ransdaal vormden de voornaamste motieven voor deze grenswijziging. Een en ander sleepte zich voort tot in 1950, toen Gedeputeerde Staten nogmaals deze kwestie aan de orde stelden en aangaven dat de toestand van de wegen en afwatering van de waterlossingen grotendeels op afdoende wijze verbeterd was. I.v.m. de totstandkoming van een nieuwe Samenwerkingswet leek het Gedeputeerde Staten niet meer noodzakelijk om tot grenswijziging over te gaan. De raad echter berichtte aan Gedeputeerde Staten, dat hij het niet helemaal eens was met hun visie en achtte het gewenst het destijds door de raad gedane verzoek om grenswijziging andermaal ernstig in overweging te nemen. Uiteindelijk bleef Ransdaal toch bij Klimmen. De enige grenswijziging die wel nog plaats had, was die in 1949 met de gemeente Hoensbroek i.v.m. de normalisatie van de Geleenbeek. * 
Geschiedenis van de archieven (1.2.)
Verantwoording van de inventarisatie (1.3.)
Lijst van burgemeesters (1.4.)
Lijst van gemeentesecretarissen (1.5.)
Lijst van gemeente-ontvangers (1.6.)
Kenmerken
Datering:
(1797) 1800-1953 (1973)
Auteur:
J. van der Meij en H.M.E. L'Ortije
Titel:
Gemeente Klimmen, (1797) 1800-1953 (1973)
Openbaarheid:
openbaar op enkele stukken na
Omvang:
ca. 24 meter
Toegang:
inventaris
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld.
Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Rijckheyt, Centrum voor Regionale Geschiedenis, Heerlen. Toegang T201 Gemeente Klimmen
VERKORT:
NL-HrlRi T201
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS